Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Als in de stervensfase symptomen niet meer verlicht kunnen worden met conventionele behandeling, kan als uiterste behandeloptie besloten worden tot palliatieve sedatie. In december 2005 werd de “Richtlijn Palliatieve Sedatie” opgesteld, nadat deze ontwikkeld was door een door de KNMG ingestelde commissie. Het AMROSE onderzoek had tot doel de praktijk van palliatieve sedatie te beschrijven en na te gaan in hoeverre deze in overeenstemming is met de KNMG-richtlijn. In de rapportage werden vier deelonderzoeken betrokken: een vragenlijststudie onder artsen, een vergelijking van de ervaringen van artsen met die van verpleegkundigen, een interviewstudie onder artsen en een monitorstudie betreffende observatieschalen voor sedatiediepte. Uit de vragenlijststudie kan geconcludeerd worden dat de praktijk van continue sedatie grotendeels in overeenstemming is met de aanbevelingen uit de KNMG-richtlijn, waarbij verschillen in ervaringen van artsen en verpleegkundigen gerelateerd kunnen worden aan verschillen in professionele rollen en verantwoordelijkheden. De Richmond Agitation-Sedation Scale ( RASS) en de KNMG sedatiescore zijn geschikte instrumenten zijn voor het bepalen van de diepte van de sedatie.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Vragenlijststudie onder artsen: De beslissing om te gaan sederen werd bijna altijd besproken met wilsbekwame patiënten en altijd met de naasten van de patiënt. In bijna alle gevallen schatten de artsen de levensverwachting van de patiënt in op minder dan twee weken. De meeste artsen gaven aan dat de klachten van de patiënt adequaat werden verlicht door de toepassing van de sedatie, dat de naasten tevreden waren, en dat er een goede kwaliteit van sterven werd bereikt. Vergelijking van de ervaringen van artsen met die van verpleegkundigen: in vergelijking met artsen rapporteerden verpleegkundigen significant vaker angst als ernstig symptoom voorafgaande aan de start van de sedatie. Tevens noemden zij pijn significant vaker dan artsen als doorslaggevende factor voor het starten van de sedatie. Daarentegen gaven artsen vaker aan zich onder druk gezet te voelen door patiënten en naasten tijdens de besluitvorming over continue sedatie dan verpleegkundigen. Interviewstudie onder artsen: uit de interviews kwam naar voren dat artsen bij continue sedatie hun medicatiekeuze niet alleen afstemmen op de noodzakelijke mate van symptoomverlichting en het comfort van de patiënt, maar hierbij ook rekening houden met: voorkeuren van de patiënt, het voorkomen van wakker worden, het handhaven van communicatie en de wensen van naasten. Waarde van meetinstrumenten voor bepalen van de sedatiediepte: Indien de resultaten gevonden voor interbeoordelaarsbetrouwbaarheid, validiteit en bruikbaarheid in gezamenlijkheid in ogenschouw genomen worden, kan gesteld worden dat de Richmond Agitation-Sedation Scale ( RASS) of de KNMG sedatiescore de voorkeur verdient boven andere in dit onderzoek onderzochte schalen voor bepaling van de diepte van de sedatie. De mate van pijn kan op betrouwbare wijze worden gemeten met behulp van de PainAd.

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In de laatste levensfase hebben veel patiënten last van ernstige symptomen. Soms zijn sederende middelen nodig om symptomen te verlichten die niet met conventionele behandelingen kunnen worden bestreden. De mate van sedatie die nodig is om symptomen te verlichten kan variëren van milde sedatie tot diepe sedatie. Verder kan de sedatie intermitterend of continue tot aan het overlijden worden toegepast. De toepassing van continue sedatie tot aan het overlijden is de meest verregaande beslissing, omdat de patiënt niet meer wakker wordt. Een Nederlandse studie toonde aan dat de praktijk van continue diepe sedatie tot aan het overlijden is toegenomen tot 8,2% van alle sterfgevallen in 2005. Palliatieve sedatie wordt in alle settings waar mensen komen te overlijden uitgevoerd: in het ziekenhuis, thuis door de huisarts, in het verpleeghuis en in het hospice. Hierbij zijn zowel artsen als verpleegkundigen betrokken. Over de praktijk van palliatieve sedatie is veel discussie, o.a. over de in acht te nemen voorwaarden, de uitvoering, en de relatie tussen palliatieve sedatie en euthanasie. Mede als gevolg van deze discussies is er in december 2005 door een KNMG commissie een landelijke richtlijn voor het gebruik van palliatieve sedatie ontwikkeld. De richtlijn gaat voornamelijk in op het besluitvormingsproces m.b.t. palliatieve sedatie. De richtlijn bevat geen duidelijke voorschriften voor het klinisch monitoren van de sedatie, bijvoorbeeld om te voorkomen dat patiënten onbedoeld weer wakker worden. De klinische praktijk wijst uit dat instrumenten ter beoordeling van de sedatiediepte bij palliatieve sedatie nagenoeg niet worden gebruikt. Over de wijze waarop de richtlijn in de praktijk wordt toegepast zijn nog geen gegevens beschikbaar.

 

De vraagstellingen van dit project zijn daarom:

1.Hoe kenmerkt de praktijk van palIiatieve sedatie zich in het ziekenhuis, het verpleeghuis, de huisartspraktijk en het hospice, en in hoeverre is deze in overeenstemming met de KNMG richtlijn palliatieve sedatie?

2.Welke knelpunten ondervinden artsen en verpleegkundigen in de besluitvorming over palliatieve sedatie? Zijn er aanknopingspunten voor verbetering aan te wijzen?

3.Welke knelpunten ondervinden artsen en verpleegkundigen in de uitvoering van palliatieve sedatie? Zijn er aanknopingspunten voor verbetering aan te wijzen?

4.Wat is de waarde van meetinstrumenten ter bepaling van de sedatiediepte voor toepassing in de praktijk van palliatieve sedatie? Welk instrument is voor de palliatieve praktijk het meest valide en betrouwbaar?

 

Voor het onderhavige project zullen 500 huisartsen, 200 verpleeghuisartsen, 500 medisch specialisten en circa 650 verpleegkundigen uit diverse settings in de regio’s Amsterdam en Rotterdambenaderd worden voor het invullen van een vragenlijst. Naast het gebruik van vragenlijsten zal m.b.v. gestructureerde kwalitatieve diepte-interviews de toepassing van de richtlijn nader worden onderzocht. De interviews worden gehouden met 20 artsen en 20 verpleegkundigen in de drie settings, wat neer komt op een totaal van 120 interviews. Tot slot worden in het laatste gedeelte van dit onderzoek de interbeoordelaars betrouwbaarheid, de concurrent, construct en predictieve validiteit van 3 meetinstrumenten ter beoordeling van de sedatiediepte onderzocht voor gebruik bij palliatieve sedatie bij 45 patiënten.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

RESULTATEN VRAGENLIJST STUDIE

De schriftelijke vragenlijsten aan artsen en verpleegkundigen alsmede reminders zijn allemaal verstuurd, op enkele vragenlijsten die nog terugkomen is de dataverzameling van deze studie afgerond. De (voorlopige) respons betreft 40% voor huisartsen, 48% voor verpleeghuisartsen en 24% voor medisch specialisten. De (voorlopige) respons bij verpleegkundigen betreft 51%. Op dit moment hebben we informatie over een eerste gedeelte van de artsen (n=255 van de n= 391), maar nog niet van verpleegkundigen. Van deze artsen is 55% huisarts, 27% verpleeghuisarts en 18% specialist (de huisartsen zijn wat oververtegenwoordigd omdat die vragenlijsten het eerst werden verstuurd en verwerkt). Deze artsen rapporteren over 173 patiënten bij wie zij continue sedatie hebben toegepast voorafgaand aan het overlijden.

 

RESULTATEN INTERVIEW STUDIE

De interview studie zijn wij momenteel aan het voorbereiden; deze zal einde september 2008 van start gaan.

 

RESULTATEN MONITOR STUDIE

De meetprocedures zijn afgestemd met de bij het onderzoek betrokken instellingen (hospice Kuria, Daniel den Hoed kliniek, Hospice Alkmaar). Hierbij heeft instructie plaatsgevonden met betrekking tot de onderzoeksmethodiek en gebruik van de observatieschalen, en is het format en werkwijze afgestemd op de mogelijkheden binnen de individuele centra. D.m.v. het beoordelen van een aantal patiënten is met de observatielijsten proefgedraaid, waaruit bleek dat de voorgestelde meetprocedure haalbaar was. In de tussentijd is dit gedeelte van het onderzoeksprotocol beoordeeld door de onderzoeksschool EMGO op methodologische en wetenschappelijke waarde, en ethisch getoetst door de METc van het VUmc. Recentelijk is daarvoor toestemming ontvangen. De eerste 3 patiënten voor de monitoringstudie zijn inmiddels geïncludeerd.

Een meta-analyse over het gebruik van meetinstrumenten voor het bepalen van de diepte van de palliatieve sedatie is geschreven en wordt op korte termijn geplaatst in het Nederlands Tijdschrift voor Palliatieve zorg.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Terminale patiënten hebben vaak ernstige symptomen die soms moeilijk te behandelen zijn. Als reguliere behandeling niet toereikend is, wordt soms besloten om de patiënt in een diepe slaap te brengen, zodat deze zich niet meer bewust is van de symptomen. Deze praktijk wordt ook wel ‘palliatieve sedatie’ genoemd. Onderzoek heeft aangetoond dat palliatieve sedatie in 4-10% van alle Nederlandse sterfgevallen wordt toegepast. Palliatieve sedatie wordt in alle settings waar mensen komen te overlijden uitgevoerd: in het ziekenhuis, thuis door de huisarts, in het verpleeghuis en in het hospice. Hierbij zijn zowel artsen als verpleegkundigen betrokken. Over de praktijk van palliatieve sedatie is veel discussie, o.a. over de in acht te nemen voorwaarden, de uitvoering, en de relatie tussen palliatieve sedatie en euthanasie. Mede als gevolg van deze discussies is er in december 2005 door een KNMG commissie een landelijke richtlijn voor het gebruik van palliatieve sedatie ontwikkeld. De richtlijn gaat voornamelijk in op het besluitvormingsproces m.b.t. palliatieve sedatie. De richtlijn bevat geen duidelijke voorschriften voor het klinisch monitoren van de sedatie, bijvoorbeeld om te voorkomen dat patiënten onbedoeld weer wakker worden. De klinische praktijk wijst uit dat instrumenten ter beoordeling van de sedatiediepte bij palliatieve sedatie nagenoeg niet worden gebruikt. Over de wijze waarop de richtlijn in de praktijk wordt toegepast zijn nog geen gegevens beschikbaar.

 

De vraagstellingen van dit project zijn daarom:

1.Hoe kenmerkt de praktijk van palIiatieve sedatie zich in het ziekenhuis, het verpleeghuis, de huisartspraktijk en het hospice, en in hoeverre is deze in overeenstemming met de KNMG richtlijn palliatieve sedatie?

2.Welke knelpunten ondervinden artsen en verpleegkundigen in de besluitvorming over palliatieve sedatie? Zijn er aanknopingspunten voor verbetering aan te wijzen?

3.Welke knelpunten ondervinden artsen en verpleegkundigen in de uitvoering van palliatieve sedatie? Zijn er aanknopingspunten voor verbetering aan te wijzen?

4.Wat is de waarde van meetinstrumenten ter bepaling van de sedatiediepte voor toepassing in de praktijk van palliatieve sedatie? Welk instrument is voor de palliatieve praktijk het meest valide en betrouwbaar?

 

Het onderhavige project zal worden uitgevoerd in 2 ziekenhuizen, 4 verpleeghuizen, verschillende huisartspraktijken, en 4 hospices (2 high care hospices en 2 low care hospices) in de regio Rotterdam Rijnmond en Amsterdam. Middels vragenlijsten aan artsen en verpleegkundigen wordt nagegaan in hoeverre de praktijk van palliatieve sedatie in deze regio’s in overeenstemming is met de KNMG richtlijn palliatieve sedatie, en wat eventuele knelpunten daarbij zijn. In totaal zullen bijna 700 artsen en zo’n 500 verpleegkundigen uit diverse settings worden benaderd voor deelname, evenredig verdeeld over beide regio’s. Naast het gebruik van vragenlijsten zal m.b.v. gestructureerde kwalitatieve diepte-interviews de toepassing van de richtlijn nader worden onderzocht. De interviews worden gehouden met ziekenhuisartsen, ziekenhuisverpleegkundigen, huisartsen, thuiszorgverpleegkundigen, verpleeghuisartsen, en verpleegkundigen in het verpleeghuis. Per groep zullen 20 interviews gehouden worden, wat neer komt op een totaal van 120 interviews, met een evenredige verdeling over beide regio’s. Tot slot worden in het laatste gedeelte van dit onderzoek de interbeoordelaars betrouwbaarheid, de concurrent, construct en predictieve validiteit van 3 meetinstrumenten ter beoordeling van de sedatiediepte onderzocht voor gebruik bij palliatieve sedatie bij 45 patiënten in het Kuria hospice in Amsterdam en in het Erasmus MC – Daniel in Rotterdam.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website