Vervolg

Zorg

Uit de vragenlijsten komt naar voren dat de KNMG-richtlijn onder artsen goed bekend is, 82% van de deelnemende artsen geeft aan de richtlijn te kennen. Meer dan de helft gaf aan de richtlijn te hebben gebruikt bij de in de vragenlijst besproken patiënt. In overeenstemming met de richtlijn was er in bijna alle gevallen sprake van één of meer onbehandelbare klachten die ondraaglijk lijden veroorzaakten. Als doorslaggevende reden om over te gaan tot continue palliatieve sedatie noemden artsen onder andere lichamelijke pijn, benauwdheid, uitputting, angst, motorische onrust, delier en existentieel lijden. 

De beslissing om over te gaan tot continue palliatieve sedatie is bijna altijd besproken met de wilsbekwame patiënt en altijd met de familie van de patiënt. In de meerderheid van de gevallen kaartten de artsen als eerste de mogelijk tot continue palliatieve sedatie aan. In ca. 20% van de gevallen lag het initiatief bij de patiënt of diens naasten.

In bijna alle gevallen schatten de artsen de levensverwachting van de patiënt in op minder dan twee weken. In de meeste gevallen werd tijdens de sedatie geen vocht meer toegediend. Hoewel de richtlijn aangeeft dat de sedatie in deze situaties geen levensbekortend effect kan hebben, schatte een ruime minderheid van de artsen in dat de toepassing van sedatie wel degelijk een beperkt levensbekortend effect zou kunnen hebben gehad. De aanbeveling dat de behandelend arts aanwezig moet zijn bij de start van de sedatie werd in ongeveer een vijfde van de gevallen niet gevolgd. 

Continue sedatie werd in bijna alle gevallen uitgevoerd met het daarvoor aanbevolen middel midazolam. Artsen gaven zelden aan dat zij opioïden gebruikten om te sederen. De artsen oordelen over het algemeen positief over de toepassing van de sedatie. De meeste artsen gaven aan dat de klachten van de patiënt adequaat werden verlicht door de toepassing van de sedatie, dat de naasten tevreden waren en dat er een goede kwaliteit van sterven werd bereikt.

Uit de vragenlijststudie onder artsen kan geconcludeerd worden dat de praktijk van continue sedatie grotendeels in overeenstemming is met de aanbevelingen uit de KNMG-richtlijn. Dit geldt ook voor gevallen waarin de arts de richtlijn niet expliciet heeft toegepast. De onderzoekers concluderen op grond daarvan dat de aanbevelingen in de richtlijn blijkbaar goed aansluiten op de bestaande praktijk. Vanwege de relatief lage respons van de artsen  op de vragenlijsten (38%) houden de onderzoekers echter een slag om de arm. 

Uit de vergelijking tussen artsen en verpleegkundigen komt naar voren dat verpleegkundigen vaker angst en pijn noemen als factoren die een rol spelen bij de beslissing om continue palliatieve sedatie aan te kaarten. Verpleegkundigen geven minder vaak dan artsen aan zich onder druk gezet te voelen door patiënten en naasten tijdens de besluitvorming voorafgaand aan de palliatieve sedatie. Bij artsen is dit percentage ca 14%, bij verpleegkundigen 3%.

Uit de persoonlijke interviews met de artsen komt naar voren dat er in de praktijk op twee manieren continue palliatieve sedatie wordt toegepast: sedatie met een continue diepte vanaf de start of sedatie waarbij de diepte wordt aangepast aan de omstandigheden. De artsen proberen bij de diepte van de sedatie naast het verlichten van de klachten ook rekening te houden met de voorkeuren van de patiënt ten aanzien van onder andere de kans op wakker worden en de mogelijkheid tot communicatie. Dit sluit aan bij het in de richtlijn gehanteerde concept van proportionaliteit. 

Ten aanzien van het meten van de diepte van de sedatie concluderen de onderzoekers dat op grond van validiteit en gebruikersvriendelijkheid de Richmond Agitation-Sedation Scale (RASS) en een beoordelingsschaal zoals voorgesteld in de KNMG richtlijn hiervoor het meeste geschikt zijn. Voor de beoordeling van de mate van pijn kan de PainAD gebruikt worden.

Aanbevelingen

Onderzoek

De onderzoekers concluderen dat de praktijk van continue palliatieve sedatie in de meeste gevallen overeenkomt met de aanbevelingen in de KNMG richtlijn. Het feit dat een vijfde van de artsen bij de start van de sedatie niet aanwezig is en dat sommige artsen bij de sedatie de intentie hebben het levenseinde van de patiënt te bespoedigen is volgens de onderzoekers reden om nader onderzoek te doen naar de beweegredenen hierbij.

Onderwijs

Bij de uitwisseling van kennis en ervaring met continue palliatieve sedatie zien de onderzoekers een ondersteunende taak weggelegd voor de KNMG, de regionale consultatieteams palliatieve zorg, de integrale kankercentra, de kenniscentra palliatieve zorg, de regionale toetsingscommissies euthanasie, en SCEN-artsen.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website