Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De CQ-Index Palliatieve Zorg (PZ) meet kwaliteits-indicatoren vanuit gebruikersperspectief. In een eerder ZonMw-project bleek de CQ-Index PZ een inhoudsvalide en bruikbare vragenlijst te zijn. Sindsdien wordt de CQ-Index PZ op grote schaal gebruikt, met name voor de evaluatie van het landelijke Verbeterprogramma Palliatieve Zorg van ZonMw. Ook zijn enkele kwaliteitsindicatoren uit de CQ-Index PZ opgenomen in de landelijke Zorgmodule Palliatieve Zorg.

 

Op één punt ontbrak nog informatie over de CQ-Index Palliatieve Zorg, namelijk over de mate waarin deze vragenlijsten in staat zijn om verschillen aan te tonen, het zogeheten “onderscheidend vermogen” van de vragenlijsten. Bij de oorspronkelijke ontwikkeling en validatie van de vragenlijsten kon dit niet worden onderzocht omdat de databestanden destijds niet groot genoeg waren. Nu er inmiddels aanzienlijk meer data waren (van 1380 nabestaanden en 376 patiënten) kon dat wel worden onderzocht. We onderzochten het onderscheidend vermogen van de CQ-Index Palliatieve Zorg nabestaandenversie en ook dat van de patiëntenversie. Echter, het onderzoek naar het onderscheidend vermogen van de patiëntenversie was meer verkennend van aard, omdat het databestand voor patiënten beduidend kleiner was dan voor nabestaanden. Voor beide vragenlijstversies van de CQ Index PZ is het onderscheidend vermogen bepaald, op basis van de gemeten verschillen tussen netwerken van zorgaanbieders die een verbeterproject uitvoerden binnen het Verbeterprogramma Palliatieve Zorg.

 

Uit de analyses bleek dat de meeste schalen (=groepen vragen die met elkaar samenhangen) van de CQ index PZ betrouwbaar zijn. Drie schalen bleken echter matig betrouwbaar te zijn. Voor deze schalen zal daarom bij toekomstige analyses gerapporteerd kunnen worden op één van de onderliggende vragen van de schaal, die inhoudelijk het meest relevant is voor het doel van de analyse.

 

Verder bleek het onderscheidend vermogen voor de meeste schalen overeen te komen met het onderscheidend vermogen van andere CQ-Indexen in andere sectoren. Het onderscheidend vermogen is daarmee beperkt, maar zeker niet verwaarloosbaar. Dit betekent voor het gebruik van CQ-index gegevens in bijvoorbeeld de evaluatie van het Verbeterprogramma Palliatieve Zorg dat, indien er verschillen tussen de voor- en nametingen aanwezig zijn, we deze verschillen kunnen aantonen met de CQ-index PZ.

 

Tevens is gekeken of verschillen in scores op de CQ index PZ tussen netwerken die verbeterprojecten hebben uitgevoerd, gerelateerd zijn aan achtergrondkenmerken van patiënten of nabestaanden. Het bleek dat voor de meeste schalen achtergrondkenmerken van patiënten en/of nabestaanden enig effect hadden op de waargenomen verschillen tussen netwerken. Bij de vragenlijst voor nabestaanden ging het met name om de variabelen leeftijd patiënt, leeftijd nabestaande en ervaren gezondheid nabestaande. Bij de vragenlijst voor patiënten zelf, wisselde het tussen de schalen welke achtergrondkenmerken significant van invloed waren. In toekomstige analyses en rapportages met CQ-index PZ gegevens zal middels statistische correcties rekening worden gehouden met de invloed van achtergrondkenmerken bij het vergelijken van scores van (netwerken van) zorgaanbieders of bij een vergelijking tussen meetmomenten.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Voorafgaand aan de analyses naar het onderscheidend vermogen zijn de betrouwbaarheden van de verschillende schalen van de twee vragenlijstversies (voor nabestaanden en patiënten) nogmaals gecheckt. Voor de beide vragenlijsten van de CQ-Index Palliatieve Zorg geldt dat de meeste schalen een Cronbach’s alfa van ≥ 0.70 hebben, wat in de literatuur als toereikend wordt beschouwd. Voor de nabestaandenversie betreft dit de schalen ‘zorg voor psychosociaal/spiritueel welbevinden patiënt’, ‘deskundigheid’, ‘zorg voor psychosociaal/spiritueel welbevinden nabestaande’, ‘bejegening’ en ‘respect/zorg voor autonomie’. Voor de patiëntenversie gaat het om de schalen ‘zorg voor lichamelijk welbevinden’, zorg voor psychosociaal welbevinden’, ‘bejegening’, aandacht’, ‘respect/zorg voor autonomie’ en ‘deskundigheid’. Drie van de schalen (‘communicatie over beslissingen rond het levenseinde’ en ‘informatie laatste week voor overlijden aan nabestaande’ binnen de nabestaandenversie en ‘privacy’ binnen de patiëntenversie) hadden een matige betrouwbaarheid van 0.60-0.70.

 

Verder bleek het onderscheidend vermogen voor de meeste schalen overeen te komen met het onderscheidend vermogen van andere CQ-Indexen in andere sectoren. Het onderscheidend vermogen is daarmee beperkt, maar zeker niet verwaarloosbaar. Dit betekent voor toekomstige analyses met CQ-index gegevens (bijvoorbeeld in de evaluatie van het verbeterprogramma Palliatieve Zorg) dat deze verschillen met behulp van de CQ-Index PZ aangetoond kunnen worden, mits rekening gehouden wordt met voldoende aantallen responders.

 

Als onderdeel van de analyses voor het onderscheidend vermogen is ook gekeken of verschillen in scores op de CQ index PZ gerelateerd zijn aan verschillen in achtergrondkenmerken van patiënten of nabestaanden. Indien dat het geval is kan dat vertekenend werken bij het vergelijken van CQ Index scores tussen (netwerken van) zorgaanbieders of tussen meetmomenten. Dat kan dan vervolgens worden opgelost met behulp van statistische correctie (casemix adjustment). Uit de analyses bleek dat verschillende achtergrondkenmerken, enig effect hadden op de waargenomen verschillen tussen netwerken. Bij de vragenlijst voor nabestaanden ging het met name om leeftijd patiënt, leeftijd nabestaande en ervaren gezondheid nabestaande. Bij de vragenlijst voor patiënten zelf, wisselde het tussen de schalen welke achtergrondkenmerken significant van invloed waren. In toekomstige analyses van CQ-index PZ gegevens die gebruikt worden om verschillen aan te tonen, moet er dan dus rekening gehouden worden met de invloed achtergrondkenmerken van patiënten en nabestaanden.

 

Dit project heeft de volgende bruikbare inzichten en overwegingen opgeleverd, die relevant zijn voor toekomstige analyses en rapportages met CQ Index gegevens, bij onder meer de evaluatie van het Verbeterprogramma Palliatieve Zorg:

 

1. De CQ-index PZ is een betrouwbaar instrument om kwaliteit van palliatieve zorg te meten. De CQ-index PZ kan op valide wijze kwaliteitsverschillen aantonen, mits daarbij rekening gehouden wordt met voldoende responders.

2. Bij toekomstige analyses van CQ-Index PZ gegevens dient rekening gehouden te worden met verschillen in achtergrondkenmerken van patiënten en nabestaanden (er moet een statistische casemix correctie plaatsvinden)

3. Overweeg voor schalen met een Cronbach’s alfa <0,70 om niet op schaalniveau te rapporteren, maar op één van de onderliggende vragen om de schaal te vertegenwoordigen. Welke vraag dat het beste kan zijn, kan bepaald worden op basis van de vraag die inhoudelijk het meest relevant is. Zo kan bijvoorbeeld bij de evaluatie van het Verbeterprogramma Palliatieve Zorg de vraag worden gerapporteerd die het meest aansluit bij de speerpunten van het programma.

 

Concrete producten die uit dit project voortkomen zijn een Nederlandstalig artikel en een Engelstalig wetenschappelijk artikel over verschillen in de kwaliteit van zorg zoals gemeten met de CQ index palliatieve zorg. In deze artikelen kijken we onder meer of de plaats van overlijden sterk bepalend is voor de gemeten kwaliteitsverschillen.

 

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De CQ-Index Palliatieve Zorg (PZ) meet kwaliteitsindicatoren vanuit gebruikersperspectief. In een eerder ZonMw-project bleek de CQ-Index PZ een inhoudsvalide en bruikbare vragenlijst te zijn. Inmiddels wordt de CQ-Index al op grote schaal gebruikt in de evaluatie van het landelijke Verbeterprogramma Palliatieve Zorg van ZonMw. Ook zijn enkele kwaliteitsindicatoren uit de CQ-Index PZ opgenomen in de landelijke Zorgmodule Palliatieve Zorg.

 

Vervolgonderzoek naar de CQ-Index PZ is echter gewenst, om meer inzicht te krijgen in het onderscheidend vermogen, d.w.z. de geschiktheid van het instrument om kwaliteitsverschillen tussen (samenwerkingsverbanden van) zorgaanbieders in kaart te brengen. Dergelijk onderzoek is ook nodig om meer inzicht te krijgen in de achtergrondkenmerken van respondenten waarop statistisch gecorrigeerd moet worden om kwaliteitsscores van (samenwerkingsverbanden van) zorgaanbieders goed te kunnen vergelijken.

 

Het voorgestelde project (looptijd oktober 2015 - februari 2016) heeft als doel het discriminerend vermogen van de CQ-Index PZ te bepalen. Daarvoor worden bestaande CQ-Index gegevens gebruikt uit de database van de lopende Evaluatie van het Verbeterprogramma Palliatieve Zorg. In Fase 1 van het hier voorgestelde project berekenen we de betrouwbaarheid van de subschalen in de CQ-Index met behulp van Cronbach’s alfa en berekenen we de gemiddelde waardes op subschalen en kwaliteitsindicatoren binnen die schalen. In Fase 2 worden vervolgens multilevel analyses gedaan: ten eerste multilevel analyses waarbij niet gecorrigeerd wordt voor achtergrondkenmerken als leeftijd, opleiding, ervaren gezondheid en mogelijke andere relevante achtergrondkenmerken en ten tweede multi-level analyses waar die statistische correctie wel plaatsvindt.

 

Deze analyses zullen leiden tot inzicht in de intraklasse correlatie (ICC) die aangeeft hoeveel van de variatie in een score toegeschreven kan worden aan verschillen tussen (samenwerkingsverbanden van) zorgaanbieders. Hoe groter de ICC, hoe groter de verschillen tussen de eenheden die worden vergeleken. In de multi-level analyses wordt ook duidelijk hoeveel respondenten per zorgaanbieder nodig zijn om verschillen tussen zorgaanbieders betrouwbaar te kunnen vaststellen. Ook zullen we analyseren welke kenmerken van (samenwerkingsverbanden van) zorgaanbieders samenhangen met verschillen in kwaliteitsscores.

 

Meer inzicht in het discriminerend vermogen en in beïnvloedende kenmerken van patiënten en nabestaanden en van (samenwerkingsverbanden van) zorgaanbieders is van belang voor een zorgvuldige rapportage van de uitkomsten van de landelijke Evaluatie van het Verbeterprogramma Palliatieve Zorg: in de rapportage kunnen we dan de nadruk leggen op die indicatoren die een goed discriminerend vermogen hebben. Ook kunnen projectinzichten gebruikt worden om de CQ-index PZ nog verder in te korten, door de niet-discriminerende items er uit te halen. Verder zijn inzichten uit dit project van belang, omdat verwacht wordt dat de landelijke zorgmodule palliatieve zorg (met daarin kwaliteitsindicatoren gemeten met de CQ-Index PZ) de komende jaren nog aangepast en grootschaliger geïmplementeerd zal worden. Ook in dit licht is het zeer relevant om meer te weten over de mate waarin indicatoren uit de CQ-Index PZ onderscheidend vermogen hebben.

 

De resultaten worden beschreven in een wetenschappelijk internationaal artikel over de methodologische aspecten en een artikel voor een Nederlandstalig vaktijdschrift, waarin meer inhoudelijk wordt ingegaan op hoe gemeten kwaliteitsverschillen samenhangen met kenmerken van zorggebruikers en met kenmerken van (samenwerkingsverbanden van) zorgaanbieders.

 

 

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website