Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Vermoeidheid komt voor bij 74% van de kankerpatiënten in de palliatieve fase. Uit onderzoek is gebleken dat verschillende lichamelijke symptomen zijn gerelateerd aan vermoeidheid. Wij hebben onderzocht of systematische registratie en behandeling van lichamelijke symptomen leidt tot minder vermoeidheid dan de standaardzorg. 126 kankerpatiënten in de palliatieve fase die een vermoeidheidsscore van 4 of hoger gaven op een 0 tot 10 schaal hebben deelgenomen aan het onderzoek. 65 patiënten hebben geloot voor de interventiegroep en 61 patiënten voor de controlegroep. De patiënten in de interventiegroep kregen over een periode van 3 maanden 4 afspraken met een verpleegkundig consulent, die lichamelijke symptomen systematisch registreerde op een 0-10 schaal. Bij een score tussen de 1 en 3 voor een symptoom kreeg een patiënt uitleg over medicatietrouw, de psychosociale aspecten van het symptoom en maatregelen die de patiënt zelf kan nemen. Bij een score van 4 of hoger werd in overleg met de behandelend arts ook een medische behandeling ingezet volgens tevoren opgestelde protocollen. In vergelijking met de standaardzorg hadden patiënten in de interventiegroep minder last van vermoeidheid, leidde de vermoeidheid tot minder beperkingen in het dagelijks functioneren en had men minder last van lichamelijke symptomen en angst.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Uit dit onderzoek is gebleken dat systematische registratie en behandeling van lichamelijke symptomen bij vermoeide kankerpatiënten in de palliatieve fase in vergelijking met de standaardzorg leidt tot minder (algemene) vermoeidheid, minder beperkingen van vermoeidheid op het dagelijks leven, minder last van lichamelijke symptomen en minder angst. De interventie leidde niet tot een verbetering in kwaliteit van leven en een vermindering van depressieve stemming. Ook de lichamelijke vermoeidheid verminderde niet. In de dagelijkse zorg voor kankerpatiënten in de palliatieve fase dient er een systematische registratie van lichamelijke symptomen plaats te vinden wanneer er sprake is van vermoeidheid. Tevens dienen deze lichamelijke klachten systematisch volgens een protocol behandeld te worden. Tenslotte verdient het aanbeveling om een verpleegkundige in te zetten om de patiënt uitgebreide uitleg te geven over medicatietrouw, bijwerkingen, maatregelen die de patiënt zelf kan nemen en de psychosociale aspecten van lichamelijke klachten.

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Vermoeidheid is een van de meest voorkomende symptomen bij kankerpatiënten in de palliatieve fase. Patiënten geven aan dat vermoeidheid een belangrijke invloed heeft op de kwaliteit van leven en het dagelijks functioneren. Beschreven is dat er een relatie bestaat tussen de ernst van de vermoeidheid en de aanwezigheid van lichamelijke symptomen. In deze studie willen wij de effectiviteit bepalen van structurele monitoring en geprotocolleerde behandeling van lichamelijke symptomen op de verschillende dimensies van kankergerelateerde vermoeidheid, het dagelijks functioneren en kwaliteit van leven.

Dit onderzoek is een gerandomiseerd fase 3 interventiestudie bij patiënten met solide tumoren die met palliatieve intentie behandeld worden. De patiënten worden gerandomiseerd over de twee studiearmen (interventie of standaard zorg). De geplande studieperiode per patiënt is drie maanden. Elke geïncludeerde patiënt vult bij inclusie en na 1, 2 en 3 maanden een vragenlijst in. In deze vragenlijst wordt gevraagd naar vermoeidheid, kwaliteit van leven, inclusief lichamelijke symptomen, invloed op dagelijks functioneren en naar angst en depressie. De patiënten die gerandomiseerd worden voor de controle groep ontvangen de standaardzorg van de behandelend arts. De patiënten in de interventiegroep krijgen gedurende drie maanden een complexe interventie. Deze interventie bestaat uit twee onderdelen: structurele monitoring van lichamelijke symptomen met behulp van een dagboek en een multidisciplinaire geprotocolleerde behandeling van de gerapporteerde symptomen. Deze interventie wordt uitgevoerd door een getraind verpleegkundig consulent palliatieve zorg. De verpleegkundig consulent is verantwoordelijk voor de monitoring van de lichamelijke symptomen, het geven van gerichte voorlichting aan de patiënt en de communicatie met de behandelend arts. Afhankelijk van de ernst van de klacht, en onderliggende problemen handelt de verpleegkundig consulent zelf of wordt de behandelend arts door haar geconsulteerd voor aanpassing van de behandeling. Patiënten scoren tijdens het contact met de verpleegkundig consulent de ernst van de klachten op een Numeric Rating Scale, waarbij met een cijfer tussen 0 en 10 de ernst van de klachten wordt aangegeven. Indien de patiënten voor bepaalde klachten tussen de 1 en de 3 scoren, krijgen zij informatie van de verpleegkundige hoe zij om kunnen gaan met deze klachten. Indien patiënten een 4 of hoger scoren, wordt het medische protocol gestart, waarbij de behandelend arts protocollair aan de hand van de aard en de oorzaak van de klacht de behandeling bepaalt. De ontwikkelde protocollen zijn gebaseerd op de richtlijnen voor de palliatieve zorg, opgesteld door de Integrale Kankercentra, en zijn beschikbaar voor de volgende klachten: pijn, kortademigheid, obstipatie, diarree, misselijkheid, braken droge mond, hoesten en gebrek aan eetlust. De kwaliteit van de uitgevoerde interventies werd ieder half jaar geëvalueerd.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Tussen 1 november 2007 en 1 oktober 2009 zijn 86 patiënten geïncludeerd in de studie: 38 in het eerste jaar en 48 in de eerste 11 maanden van het tweede jaar. Deze patiënten waren gemiddeld 58 jaar oud (spreiding 30 – 78 jaar); 61% was vrouw. De meeste patiënten werden behandeld voor borstkanker (41%), een gastro-intestinale maligniteit (29%) of een urologische maligniteit (9%).

Op het moment van inclusie werd 67% van de patiënten behandeld met palliatieve chemotherapie, 11% van de patiënten kreeg hormonale therapie en 4% radiotherapie. Daarnaast kreeg 18% van de patiënten geen anti-tumor behandeling. Bij inclusie had 83% een WHO performance status van 1 (ambulant en in staat om licht huishoudelijk werk te verrichten) en 17% een WHO performance status van 2 ( in staat zichzelf te verzorgen en < 50% van de dag op bed).

De vermoeidheid werd gemeten met de Numeric Rating Scale (NRS), waarbij patiënten gevraagd werd hun vermoeidheid aan te geven met een cijfer tussen de 0 (niet moe) en 10 (ondraaglijk moe). De vermoeidheidsscores bij inclusie varieerden van 4 tot 9, met een gemiddelde van 6.

Wanneer patiënten geïncludeerd werden, werd met behulp van de symptomenlijst van de EORTC QLQ C-30 gevraagd of zij ook last hadden van andere symptomen. Gemiddeld gaven zij aan last te hebben van vier symptomen. De meest voorkomende symptomen waar patiënten naast hun vermoeidheid last van hadden, waren pijn (64%), kortademigheid (71%), gebrek aan eetlust (55%) en een droge mond (56%).

Van de patiënten die gerandomiseerd zijn voor de interventiegroep, hebben 39 patiënten de interventie inmiddels afgerond. Over de hele interventieperiode zijn per patiënt mediaan vier verpleegkundige interventies en één medische interventie uitgevoerd.

Van de 86 patiënten die geïncludeerd zijn, hebben 57 (66%) patiënten de studieperiode geheel doorlopen. 12 patiënten (14%) hebben de studieperiode niet volledig doorlopen, maar zijn wel evalueerbaar. 10 patiënten (12%) zijn niet evalueerbaar en 7 patiënten (8%) zitten op dit moment nog in de follow-up. Aangezien we tijdens de berekening van het benodigd aantal patiënten, uitgegaan zijn van 20% niet evalueerbare patiënten, zullen er, bij stabiel blijvende uitval, minder patiënten geïncludeerd hoeven worden dan tevoren berekend.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Fatigue is one of the most prevalent symptoms among advanced cancer patients in the palliative phase and is most frequently reported to considerably influence quality of life and daily functioning. Evidence based treatments of fatigue are scarce. The severity of fatigue has been reported to be associated with the occurrence of physical symptoms. In national and international guidelines optimal treatment of these physical symptoms is suggested to diminish fatigue but randomized clinical studies have not been performed.

In this study we aim to determine the effectiveness of a protocolized care intervention for palliative cancer patients reporting fatigue. The intervention consists of protocolized treatment and structurally monitoring of reported physical symptoms in the patients for three months and will be tailored to the patients’ specific symptoms. A trained nurse specialist will structurally discuss symptoms, provide information and will coordinate protocolized medical treatment of the reported symptoms. We hypothesize that in patients receiving this intervention general fatigue (primary outcome measure) will diminish as well as other dimensions of fatigue (reduced activity, reduced motivation, physical fatigue and mental fatigue) and that quality of life will improve. Daily interference as a consequence of fatigue is hypothesized to diminish as well.

To evaluate the protocolized care intervention, results will be compared with a control group receiving care as usual. After signing informed consent, eligible patients will be randomly allocated in a 1:1 ratio between the two treatment conditions. With a power of 0.85, an alpha of 0.05 and considering a dropout rate of 20% a total of 76 patients are needed in each condition, totally 152 palliative cancer patients.

Multivariate analysis of variance for repeated measures will be conducted to determine the changes in general fatigue between the intervention group and the treatment as usual group.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website