Over wat een ‘normaal’ rouwproces is, bestaan veel onwrikbare opvattingen. Bijvoorbeeld dat het proces altijd volgens bepaalde fases verloopt. Of dat er een minimale én maximale periode voor zou staan. Jan van den Bout noemt dit ‘rouwsluiers’, omdat ze verhullen dat rouwen voor iedereen anders is.

Geen scherpe grens

‘In het dagelijks spraakgebruik gaat het vaak over “rouwverwerking”, maar dat is dubbelop. Rouw is het proces van verliesverwerking, bijvoorbeeld het overlijden van een dierbare.’ Prof. dr. Jan van den Bout was ooit de eerste (bijzonder) hoogleraar Verliesverwerking. Als (‘gewoon’) hoogleraar Klinische psychologie aan de Universiteit Utrecht, ging hij verder met dit thema. Inmiddels is hij met emeritaat. Van den Bout heeft steeds benadrukt dat ieder rouwproces weer anders verloopt. Iedereen verwerkt een verlies op zijn of haar eigen manier. ‘Je kunt dus ook niet scherp vaststellen wanneer rouw niet langer “normaal” is. Er is een glijdende schaal tussen normaal, gecompliceerd of problematisch.’ Wel zijn er duidelijke risicofactoren die rouw problematisch kunnen maken. Zoals een totaal onverwacht, traumatisch overlijden. ‘In dergelijke gevallen is de kans op complicaties in een rouwproces groter.’

Onwrikbare opvattingen

Mede door populaire rouwdeskundigen als Elisabeth Kübler-Ross (bekend van het model met verschillende rouwfases) en beroemdheden als Sigmund Freud (die sprak over Trauerarbeit, dus rouwen als noodzakelijk ‘hard werken’), bestaan er veel onwrikbare opvattingen over wat ‘goede’ rouw zou zijn. Van den Bout noemt die opvattingen ‘rouwsluiers’, omdat ze het zicht op ieders persoonlijke manier van rouwen vertroebelen. ‘Er is een breed gedragen overtuiging dat iedereen door dezelfde fases heen moet, van ontkenning via boosheid tot aanvaarding. Als je er eentje overslaat of een mist, zou de verwerking niet goed verlopen. Mensen die het anders ervaren, hebben snel het gevoel dat ze “verkeerd rouwen”, dat het gek is wat ze ervaren.’ Een andere strikte opvatting is dat een rouwperiode minstens een paar maanden duurt maar hoogstens anderhalf jaar. Van den Bout: ‘In werkelijkheid bestaat ook hier veel variatie. Sommigen zijn binnen enkele dagen of weken weer de oude, terwijl het bij anderen jaren duurt. En in beide gevallen is het verwerkingsproces niet per se verstoord.’

Zwaarder dan je denkt

Rouwbegeleiding is ook onderdeel van palliatieve zorg, zowel voor de patiënt als de naasten. En ook daarin gaat het om het goede gesprek. Volgens Van den Bout is de begeleiding van naasten zeker ook zinvol als er geen sprake is van gecompliceerde rouw of zelfs pathologie, ofwel bij ernstige psychische complicaties. Rouw is voor bijna iedereen zwaarder dan je denkt, stelt hij, en er komen soms emoties boven die je van jezelf misschien minder mooi vindt. Zoals boosheid dat de ander jou in de steek laat door dood te gaan. Of het gevoel dat de ander de dood door zijn eigen gedrag – bijvoorbeeld alcoholgebruik – zelf mede heeft veroorzaakt. Van den Bout: ‘In rouwbegeleiding is het heel belangrijk alert te zijn op gevoelens waarvan iemand vindt dat je ze eigenlijk niet mag hebben. Of waar iemand zich voor schaamt. Je zult er vaak op moeten doorvragen, want veel mensen durven niet te erkennen dat ze dergelijke “onredelijke” gevoelens hebben, Niet alleen tegenover anderen, maar ook voor zichzelf. Terwijl deze gevoelens in werkelijkheid heel normaal zijn.’ 

Emoties tijdig bespreken

Voor zover Van den Bout het als relatieve buitenstaander kan overzien, is er binnen de palliatieve zorg nog ruimte voor een explicietere aanpak van rouwbegeleiding. ‘In het Kwaliteitskader palliatieve zorg vind ik het hoofdstukje over verlies en rouw wel wat algemeen geformuleerd, zelfs nogal ambtelijk. Terwijl er uit het onderzoek naar rouw juist veel concrete handreikingen te halen zijn voor een gesprek. Al in de palliatieve fase kun je over de moeilijke gevoelens doorpraten, dus ook de negatieve. En benadrukken dat goede verliesverwerking niet betekent dat je nooit meer verdrietige gevoelens zult hebben. Die gevoelens blijven aanwezig, ook vele jaren na het overlijden van een dierbare. Zo voorkom je dat mensen tijdens hun rouwproces in hun eentje blijven worstelen met dingen die ze misschien niet begrijpen.’

3 gouden lessen over rouwbegeleiding voor zorgverleners in de palliatieve zorg 

1) Bied ruim de gelegenheid om over gevoelens over het (aanstaande) verlies te vertellen. Stel vragen, juist ook over ‘onredelijke’ gevoelens als boosheid of forse schuldgevoelens richting degene die gaat sterven. Zo geef je te kennen dat die gevoelens er kunnen en mogen zijn. Je geeft ‘toestemming’ dat zoiets kan én mag.

2) In de westerse cultuur is rouwen vaak een privéaangelegenheid. Daardoor weten veel mensen niet van de bonte variëteit aan emoties na een overlijden. Nabestaanden vragen zich af of ze niet gek worden, zo onverwacht, heftig en vaak tegenstrijdig zijn hun gevoelens. Maar iets is niet snel ‘gek’.

3) Stimuleer nabestaanden hun sociale netwerk te activeren. Wie zijn belangrijk, met wie heeft iemand veel contact en waaruit bestaat dit dan? En ook: wie reageert na het overlijden vanuit de omgeving anders dan verwacht? Mensen kunnen na enige tijd beter juist wél naar verjaardagen gaan, bijvoorbeeld, in plaats van te wachten tot anderen hulp aanbieden. 

Meer lezen

  • Bout, J. van den, Boelen, P.A. & de Keijser, J. (red.), ‘Behandelingsstrategieën bij gecompliceerde rouw en verliesverwerking’, Bohn Stafleu Van Loghum, 1998.
  • Keirse, M., ‘Helpen bij verlies en verdriet’, Lannoo, 2017.
  • Worden, J.W., ‘Grief Counseling and Grief Therapy (4th Edition)’, New York, Springer, 2009.
    Naar boven
    Direct naar: NavigatieDirect naar: InhoudDirect naar: Onderkant website