Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het programma Doen of laten? Het terugdringen van onnodige zorg is een van de vijf Citrien-programma’s. Het programma heeft als doel om patiënten en zorgverleners te stimuleren om terughoudend te zijn bij vormen van zorg waarvan de toegevoegde waarde voor patiënten niet is aangetoond en die zelfs schadelijk voor de patiënt kunnen zijn. Het programma is in 2015 begonnen en wil ten eerste duidelijk maken welke zorg onnodig is. Ten tweede beoogt het programma om kennis en ervaring om te doen hoe te stoppen met onnodige zorg. Ten derde wil Doen of Laten? in acht regionale projecten ook daadwerkelijk onnodige zorg terugdringen.

 

In de afgelopen anderhalf jaar zijn de acht projecten gestart. Twee daarvan worden er uitgevoerd in de eerste lijn met huisartsenpraktijken, streeklaboratoria en apotheken. De zes andere worden uitgevoerd in 34 ziekenhuizen en twee ZBC’s. Deze gaan over het terugdringen van vervolgconsulten bij oncologische aandoeningen (basaalcelcarcinoom en multipele myeloom), het verminderen van onnodige diagnostiek of onnodige interventies zoals artroscopieën, gastroscopie of kathetergebruik. De onderwerpen betreffen grotendeels Verstandige Keuzes zoals door de wetenschappelijke verenigingen vastgesteld. De resultaten van de afzonderlijke projecten en een overkoepelende evaluatie zullen in december 2018

worden gepresenteerd.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Aan het eind van het programma in december 2018 zijn de volgende resultaten bereikt:

• Er zijn acht deïmplementatiestudies verricht in de regio’s rondom de umc’s met acht verschillende onderwerpen. In deze studies is veel kennis opgedaan over hoe zorgverleners aan de slag kunnen gaan met het terugdringen van onnodige zorg.

• Er is een deïmplementatiegids opgesteld om geïnteresseerden in het terugdringen van onnodige zorg te helpen bij het ontwikkelen en uitvoeren van plannen.

• Er is voor een aantal van de thema’s van deze projecten een toolkit opgesteld die specifiek op dit thema andere geïnteresseerde teams helpt met het terugdringen van deze vorm van zonnodige zorg. Deze toolkit bevat ook het materiaal dat ontwikkeld is voor de interventies zoals patiëntfolders, zakkaartjes voor dokters, wachtkamerfilmpjes en e-learnings.

• Er is een beter-niet-doen-lijst opgesteld en overhandigd aan de Federatie Medisch Specialisten (FMS). De FMS wil haar wetenschappelijke verenigingen stimuleren om mede aan de hand van deze lijst mogelijkheden tot deïmplementatie te identificeren en feitelijk aan de slag te gaan.

• Er is een website met onder andere een kennisbank over deïmplementatieprojecten.

• Er is een netwerk ontstaan met zorgverleners, onderzoekers en beleidsmakers zoals V&VN, de FMS en de Patiëntfederatie die specifiek bezig zijn met het terugdringen van onnodige zorg.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Verschillende onderzoeken, zowel nationaal als internationaal, tonen aan dat van ongeveer een derde van de zorg is aangetoond dat het geen toegevoegde waarde heeft. Meer dan de helft van de zorg is niet wetenschappelijk onderbouwd. Uitgangspunt van dit Citrienprogramma ‘Doen of laten? Het terugdringen van onnodige zorg’ is dat er ook in Nederland veel van deze zogenoemde lower value services geleverd worden. Dat is zorg waarvan bekend is dat deze weinig of geen toegevoegde waarde representeert voor de patiënt en waarmee moet worden gestopt of welke niet-routinematig moet worden toegepast. Het reduceren van lower-value services is wenselijk voor patiënten omdat ze dan niet meer bloot gesteld worden aan mogelijke schadelijke bijeffecten van ineffectieve zorg. Bovendien heeft dit in potentie een aanzienlijke kostenreductie tot gevolg.

 

Deze aanvraag behelst het grootste deel van de tweede fase van het programma Doen of laten? Het terugdringen van onnodige zorg. In de eerste fase (1 april 2015 tot 1 april 2016) is bepaald welke specifieke diagnostische en therapeutische interventies zich lenen voor deïmplementatie. Onder deimplementatie wordt verstaan het ontmoedigen van lower-value services die nu veelvuldig worden toegepast, met als doel dat deze minder of niet meer gebruikt worden. Er is een zogenoemde Beter-niet-doen-lijst opgesteld op basis van bestaande (buitenlandse) lijsten en een onderzoek van alle Nederlandse richtlijnen vanaf 2010. De resultaten zijn beschreven in een rapport en een wetenschappelijke publicatie hierover volgt. Er is tevens een eerste versie van een deïmplementatiegids opgesteld om partijen die lower value services willen deïmplementeren te faciliteren. Dit is gebeurd onder andere op basis van twee reviews die worden uitgevoerd samen met het Dutch Cochrane Center. Een review onderzoekt de literatuur op het gebied van belemmerende en bevorderende factoren bij deïmplementatie en de andere review onderzoekt literatuur over voorbeelden van deïmplementaties. Er zijn ten slotte acht deïmplementatiestudies geselecteerd uit de 42 inzendingen die de umc’s samen met hun regionale partners de komende twee jaar zullen uitvoeren.

 

In de tweede fase (1 april 2016 tot 1 oktober 2018) worden de plannen van deze acht geselecteerde deïmplementatiestudies uitgevoerd onder coördinatie van de umc’s in samenwerking met de verschillende betrokken partijen in de regio. Samenwerking met algemene ziekenhuizen, patiënten en huisartsen is hierbij een randvoorwaarde met name om voldoende draagvlak te creëren. Bij deze regionale samenwerking kunnen de umc’s gebruik maken van bestaande netwerken. De projectteams van de decentrale projecten zullen elkaar tevens in leernetwerken ontmoeten om ervaringen te delen en van elkaar te leren.

 

 

Er is tevens ook een overkoepelend project dat vijf activiteiten kent:

1. algemeen projectmanagement door de hoofdaanvrager die aanspreekpunt zal zijn voor opdrachtgever en externe partijen;

2. regie over de voortgang van de acht projecten;

3. coördinatie van de kennis- en expertise tussen de projectteams onderling door het organiseren van uitwisseling van kennis in een leernetwerk;

4. monitoring en evaluatie van de uitkomsten en het proces van de acht projecten afzonderlijk en op een geïntegreerd niveau om tot een overkoepelende studie te komen en

5. organisatie van een kenniscentrum door het expliciteren en beschikbaar stellen van deïmplementatiekennis in de acht umc’s.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website