Projectomschrijving

Het onderzoek

Het doel van het huidige onderzoek was te onderzoeken welke factoren (geslacht, leeftijd en comorbiditeit van het kind, psychopathologie en betrokkenheid van ouders, relatie tussen cliënt- ouders-therapeut) een rol spelen in de behandeleffectiviteit. Daarnaast werd onderzocht of conditie (de helft van de behandelaars kreeg na elke behandelsessie feedback over het welzijn en de tevredenheid van het kind) en setting (basis versus specialistische GGZ) van invloed was op de behandeleffectiviteit.

Resultaten

De resultaten lieten zien dat:

  1. jongens sneller dan meisjes een daling van hun angstsymptomen lieten zien,
  2. het gunstig was wanneer vaders in de behandeling betrokken waren,
  3. een behandelaar met een opleiding cognitieve gedragstherapie sneller effect had dan andere behandelaren,
  4. de angstklachten sterker afnamen bij kinderen die veel steun (van ouders, behandelaar en omgeving) ervaarden, en
  5. de kinderen waarvan de behandelaar geen feedback ontving, lieten een sterkere daling in angstklachten zien dan de kinderen waarvan de behandelaar wel feedback ontving.

Een ander resultaat van het onderzoek was dat niet voorspeld kon worden aan de hand van kind- (geslacht, leeftijd, ernst van de angstklachten, comorbide stoornissen) of ouder kenmerken (psychopathologie) welk gezin naar de basis of specialistische zorg verwezen werd. Ook kon aan de hand van deze kenmerken niet voorspeld worden voor wie de behandeling wel of niet succesvol was.
Als laatst werd gevonden dat voor kinderen waarbij de behandeling in eerste instantie (na 10 sessies) onvoldoende effectief bleek, het toch zinvol was om door te gaan met de behandeling (de behandeling had uiteindelijk namelijk hetzelfde effect alleen waren er meer behandelsessies voor nodig).  

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website