Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De VOBO-Z is een gestructureerd vraaggesprek dat een verpleegkundige in de jeugdgezondheidszorg (JGZ) kan gebruiken om (risico op) opvoedings- en ontwikkelingsproblemen bij jonge kinderen vroegtijdig te signaleren. De VOBO-Z combineert het perspectief van de ouders met de expertise van de JGZ-verpleegkundige. In een groep van 2000 kinderen van 18 maanden in Zeeland is de kwaliteit van de VOBO-Z onderzocht.

De VOBO-Z maakt op valide en betrouwbare wijze onderscheid tussen kinderen met hoog, verhoogd en laag risico op opvoedings- en ontwikkelingsproblemen. De VOBO-Z is goed toepasbaar in de dagelijkse praktijk, levert snel inzicht in wat er speelt in een gezin en draagt bij aan een zorgvuldige risicotaxatie door de JGZ-verpleegkundigen. De VOBO-Z levert in samenspraak met de ouders direct bruikbare informatie op voor het bepalen welke en hoeveel zorg nodig is. Met het afnemen van alleen zelfrapportagevragenlijsten wordt een risicovolle groep gemist. Uit een andere studie blijkt dat met de VOBO-Z meer kinderen met hoog en verhoogd risico worden opgespoord dan zonder de VOBO-Z.

 

Met ouders systematisch doornemen van hun zorgen en steunbehoefte op het brede terrein van opvoeding en ontwikkeling is een goede manier van risicosignalering door JGZ-professionals. Implementatie van de VOBO-Z in de rest van Nederland lijkt zinvol.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De respons op de VOBO-Z was 92,3%. Van deze groep heeft bijna tweederde ook een set vragenlijsten ingevuld en teruggestuurd. De antwoorden op de onderzoeksvragen zijn als volgt:

1) De betrouwbaarheid en validiteit van de VOBO-Z is goed:

a) De overeenstemming tussen jeugdverpleegkundigen bij het inschatten van steunbehoefte van ouders en risico op opvoedings- en opgroeiproblemen is goed tot uitstekend.

b) Volgens zowel de VOBO-Z als de combinatie van zelfrapportagevragenlijsten heeft ongeveer 1 op de 5 kinderen een verhoogd risico op opvoedings- en ontwikkelingsproblemen. Ongeveer de helft van die groep wordt door beide geïdentificeerd. Er is een belangrijke responsbias: ouders met hoger risico volgens de VOBO-Z sturen significant minder vaak de zelfrapportagevragenlijsten terug.

c) De correlaties tussen domeinen van de VOBO-Z en de zelfrapportagevragenlijsten zijn erg laag, maar wel in het verwachte patroon. De correlaties tussen de probleeminschattingen van de VOBO-Z en de combinatie van zelfrapportagevragenlijsten zijn redelijk groot. Wij concluderen dat de constructvaliditeit van de VOBO-Z redelijk goed is, maar wel lager dan verwacht.

d) De risico-inschatting van de VOBO-Z maakt, zoals verwacht, onderscheid tussen postcoderegio’s met verschillende sociaal-economische status en tussen een groep kinderen met een terechte melding bij AMK/BJZ voor 18 maanden en een groep kinderen met alleen positieve scores.

e) De risico-inschatting van de VOBO-Z is een sterke en significante voorspeller voor een melding bij AMK/BJZ/VTO in de anderhalf jaar na afname van de VOBO-Z. Daarnaast zijn ook werkloosheid van de vader, de som van bekende risicofactoren, ‘ingrijpende gebeurtenissen’ uit de KIPPPI en ASQ-grove motoriek significante voorspellers van een melding.

2) De risico-inschatting van de VOBO-Z wordt zoals verwacht voor een deel voorspeld door de beleving en steunbehoefte van de ouders, en door de som van de bekende risicofactoren.

3) Jeugdverpleegkundigen en ouders zijn positief over de VOBO-Z. Er kwamen echter ook kanttekeningen bij de praktische bruikbaarheid in de grote groep kinderen waarmee het goed gaat. Dit is reden om de VOBO-Z aan te passen.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In een cross-sectionele studie bij 1500 Zeeuwse kinderen zullen de klinimetrische eigenschappen van de VOBO-Z onderzocht worden: de inter-raterbetrouwbaarheid; de discriminatieve validiteit; de constructvaliditeit ten opzichte van een aantal gerelateerde zelfrapportage instrumenten; en welk scoringsalgoritme het beste een klinische score op één van deze zelfrapportage instrumenten voorspelt. Op 2 manieren zal nagegaan worden waarop jeugdverpleegkundigen hun risico-inschatting baseren: door logistische regressie op de risico-inschatting met als voorspellers de ernst van probleem op de VOBO-Z clusters, en door te vragen naar welke factoren de risico-inschatting positief of negatief beïnvloeden.

Tevens zal worden bekeken hoe de jeugdverpleegkundigen en de ouders oordelen over het contactmoment met de VOBO-Z. Deze valideringsstudie wordt ingepast in een grotere, door VWS gefinancierde studie naar de waarde van een huisbezoek bij 18 maanden in heel Zeeland met inzet van alle Zeeuwse jeugdverpleegkundigen.

 

Omdat deze studie is ingepast in een al lopende RCT is direct na honorering van het onderzoeksvoorstel gestart met het includeren van de 1500 Zeeuwse kinderen. Bij deze kinderen en hun ouders is de VOBO-Z lijst door de jeugdverpleegkundige afgenomen en aan de ouders gevraagd om informed consent en zelfrapportage oudervragenlijsten (ASQ, ASQ:SE, NOSIK en KIPPPI) in te vullen. De verzamelde gegevens middels de VOBO-Z en de oudervragenlijsten zullen dan ook voor beide studies gebruikt worden. Daarnaast dienden voor de inter-rater betrouwbaarheid, de predictieve validiteit en het gebruikersoordeel extra gegevens worden verzameld.

 

Voor de inter-rater betrouwbaarheid zijn een aantal random (per team de 1e 10 kinderen van 18 maanden oud vanuit het GBA-bestand, waar twee jeugdverpleegkundigen samen te plannen zijn) gekozen kinderen door twee jeugdverpleegkundigen tegelijkertijd beoordeeld. Het VOBO-Z vraaggesprek werd zoals gebruikelijk uitgevoerd door een jeugdverpleegkundige. Een andere jeugdverpleegkundige bleef op de achtergrond, zonder zich in het gesprek te mengen, om tevens een scoreformulier van de VOBO-Z in te vullen (“meeluister-VOBO-Z”). Deze opzet is gekozen omdat het voeren van het vraaggesprek leidt tot het geven van antwoorden op vragen van ouders. Het nadenken over de vragen, de gegeven adviezen en/of interventies beïnvloeden zowel de ouders als de jeugdverpleegkundigen. Daardoor is het niet goed mogelijk om simpelweg het contactmoment te herhalen. Inter-rater betrouwbaarheid bepalen via een video-opname blijkt niet goed mogelijk omdat de verpleegkundigen bij een voor instructie-doeleinden gemaakte video rapporteren dat ze teveel van de interactie met kind en ouder(s) missen om een goed oordeel te kunnen geven. De twee verpleegkundigen hadden bij voorkeur een steeds wisselende samenstelling. Als het uit praktische overwegingen om zelfde koppels ging, dan werden de rollen om en om verdeeld.

 

In het onderzoeksvoorstel stond vermeld dat alleen de verpleegkundigen die minstens een dagdeel per week CB doen om een gebruikersoordeel gevraagd zouden worden. Wij hebben besloten alle verpleegkundigen een gebruikersoordeel te vragen voor alle 18 maandscontacten van november tot half december 2007. Dit had als voordeel dat van alle verpleegkundigen naar rato een inspanning werd gevraagd en niet alleen van de verpleegkundigen met een groter dienstverband. Wij vermoeden dat deze laatste groep meer contactmomenten voor zijn of haar rekening zal nemen bij de inter-rater betrouwbaarheid. Doordat in deze periode geen schoolvakanties of feestdagen vallen is ook aannemelijk dat de verdeling tussen huisbezoek en CB bezoek gelijk verdeeld zal zijn. Zowel de verpleegkundige als de ouder werd gevraagd na afloop van het 18 mnd contactmoment (zowel HB als verlengd CB) via een link op de GGD website een daarvoor bestemde online vragenlijst in te vullen. Wanneer er geen toegang was tot internet kon een papieren versie gebruikt worden. Bij een ouder van een meerling werd in tegenstelling tot VOBO-Z en oudervragenlijsten nu 1 lijst ingevuld d

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In de RCT, waarvoor 4400 Zeeuwse peuters zijn gerandomiseerd, was de respons 95%. Dit betekent dat de inclusie van de benodigde 1500 kinderen voor deze valideringsstudie ruim is gehaald. Van de ouders van deze kinderen heeft 66% de oudervragenlijsten ingestuurd. Ten behoeve van de interrater betrouwbaarheid zijn 67 kinderen door twee jeugdverpleegkundigen tegelijkertijd beoordeeld. Dit betrof 33 kinderen tijdens een huisbezoek en 34 op het consultatiebureau.

 

Voor het gebruikersoordeel zijn over 211 contacten online vragenlijsten ingevuld. Waarvan 179 door jeugdverpleegkundigen en 100 door ouders. Na datacontrole bleven hiervan 177 bruikbare, door de jeugdverpleegkundigen ingevulde lijsten over en 86 vragenlijsten van de ouders. Enkele baseline gegevens zijn de verdeling jongen/meisje (56,5% / 43,5% bij het jeugdverpleegkundig oordeel, 55,85 / 44,2% bij de ouders) en huisbezoek/CB-bezoek (58,8 / 41,2 % verpleegkundigen, 57 / 43% ouders). Verpleegkundigen hadden gemiddeld 7,5 minuten nodig voor het invullen van de vragenlijst, ouders 5,2 minuten.

 

 

Een belangrijk doel tijdens de ontwikkeling van de VOBO-Z was bruikbaarheid in de klinische praktijk. Wij van mening zijn dat een instrument voor vroegsignalering binnen de JGZ niet alleen bruikbaar moet zijn voor wetenschappelijk onderzoek, maar ook zeer goed in de dagelijkse praktijk moet passen. Daarom is de VOBO-Z ontwikkeld in nauwe samenwerking met een expertgroep van ervaren jeugdverpleegkundigen. Met deze groep zijn ook de resultaten besproken van het onderzoek naar het gebruikersoordeel onder zowel ouders als jeugdverpleegkundigen, als onderdeel van de valideringsstudie. Hieruit kwam zeer duidelijk naar voren dat jeugdverpleegkundigen en ouders positief zijn over de VOBO-Z. Er kwamen echter ook kanttekeningen bij de praktische bruikbaarheid in de dagelijkse praktijk. Ook gaven zowel ouders als jeugdverpleegkundigen aan dat de bewoording van de startvragen van de VOBO-Z voor veel ouders lastig te begrijpen is. Deze bevindingen zijn voor ons aanleiding om de VOBO-Z aan te passen, qua gebruiksvriendelijkheid maar wel met behoud van onderscheidend vermogen. In het bij deze rapportage behorende VIP document wordt dit meegenomen.

 

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De Programmeringstudie effectonderzoek Jeugdgezondheidszorg geeft zeer hoge prioriteit aan het onderzoeken van signalering van en zorgbehoefte bij opvoedingsproblemen. De Inventgroep noemt vroegtijdige signalering van manifeste problemen in opvoeding en ontwikkeling bij jonge kinderen als zinvolle strategie. De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) is door het grote bereik en door de expertise van de JGZ-verpleegkundigen en -artsen uitermate geschikt voor deze vorm van vroegsignalering. De Inventgroep beveelt dan ook nader onderzoek aan naar de waarde van de Vragenlijst Onvervulde Behoefte aan Opvoedingsondersteuning (VOBO) als signaleringsinstrument voor manifeste opvoedings- en ontwikkelingsproblemen in de JGZ.

 

In Zeeland is in samenwerking met een expertgroep van JGZ-verpleegkundigen een aangepaste versie van de VOBO ontwikkeld en getest op onderscheidend vermogen en haalbaarheid. Deze VOBO-Z is een gestructureerde beoordeling die het perspectief van de ouder(s) combineert met de expertise van de professional. Met de VOBO-Z wordt het hele spectrum van opvoedingsvragen en behoeften aan opvoedingsondersteuning op een gestructureerde wijze besproken tussen ouder en JGZ-verpleegkundige: van de gezondheid van het kind tot gezinszaken. De VOBO-Z is sterk gericht op de ernst van manifeste problemen en leidt naar een zorgbehoefte- en risicotaxatie.

 

In een cross-sectionele studie bij 1360 Zeeuwse kinderen zullen de klinimetrische eigenschappen van de VOBO-Z onderzocht worden: de inter-raterbetrouwbaarheid; de discriminatieve validiteit; de constructvaliditeit ten opzichte van een aantal gerelateerde zelfrapportage instrumenten; en welk scoringsalgoritme het beste een klinische score op één van deze zelfrapportage instrumenten voorspelt. Op 2 manieren zal nagegaan worden waarop JGZ-verpleegkundigen hun risico-inschatting baseren: door logistische regressie op de risico-inschatting met als voorspellers de ernst van probleem op de VOBO-Z clusters, en door te vragen naar welke factoren de risico-inschatting positief of negatief beïnvloeden.

Tevens zal worden bekeken hoe de JGZ-verpleegkundigen en de ouders oordelen over het contactmoment met de VOBO-Z. Deze valideringsstudie wordt ingepast in een grotere, door VWS gefinancierde studie naar de waarde van een huisbezoek bij 18 maanden in heel Zeeland met inzet van alle Zeeuwse JGZ-verpleegkundigen.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website