Verslagen

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Kinderartsen in Nederland worden bij de diagnostiek en behandeling geconfronteerd met tal van klachten waarbij (ook of vooral) psychische en maatschappelijke factoren een rol spelen. Het type klachten waarbij daarvan sprake is, is divers. De incidentie voor de totale groep van klachten varieert van 6,3% (CBS) tot 10% (Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde).

 

Vanwege dit type klachten bestaat er bij de Kindergeneeskunde behoefte aan een intensieve samenwerking met de Jeugdgezondheidszorg (JGZ). Deze behoefte is nog sterker geworden sinds de decentralisatie van de jeugdhulp. Als gevolg van de decentralisatie is het voor kinderartsen niet altijd duidelijk waar zij terecht kunnen voor passende hulp aan ouders en kinderen. Samenwerking tussen de JGZ en de Kindergeneeskunde is nog beperkt, niet optimaal geïmplementeerd en verloopt vaak moeizaam. In de literatuur wordt daarom gepleit voor een integraal ingericht samenwerkingsmodel tussen Kindergeneeskunde en JGZ.

 

In het Amphia ziekenhuis (een STZ-ziekenhuis*) is een stap gezet naar een meer integraal samenwerkingsmodel van de zorg voor kinderen met (ook) psychosociale klachten. Sinds augustus 2015 zijn op de polikliniek Kindergeneeskunde van het Amphia, twee dagdelen per week, twee jeugdverpleegkundigen werkzaam. Doordat de jeugdverpleegkundigen op deze wijze de directe contacten met de kinderartsen onderhouden, vormen zij een directe schakel tussen de Kindergeneeskunde en het sociale domein.

 

De directe verankering van jeugdverpleegkundigen op de polikliniek Kindergeneeskunde is nieuw in Nederland. Een eerste evaluatie laat veelbelovende resultaten zien. Ouders voelen zich gehoord en snel geholpen. De kinderartsen zien een verbetering in de gezinssituatie. Een volgende stap in de onderbouwing is het gedegen onderzoeken van de effectiviteit en de efficiëntie van de werkwijze.

 

De werkwijze in het Amphia Ziekenhuis start met het consult bij de kinderarts. Wanneer uit de anamnese blijkt dat er (ook) sprake is van psychosociale problematiek, wordt verwezen naar de jeugdverpleegkundige. Binnen twee weken legt deze contact met het gezin voor een afspraak thuis of op de polikliniek. Samen met ouders wordt bekeken wat er nodig is. Waar nodig legt de jeugdverpleegkundige verbinding met professionals uit het werkveld zoals het consultatiebureau, het sociaal wijkteam of specialistische jeugdhulp. Wanneer duidelijk is dat het gezin zelf verder kan of wanneer een andere professional de hulpvraag samen met hen oppakt, sluit de jeugdverpleegkundige het contact af.

 

Het doel van het onderzoek is nagaan wat de effectiviteit en meerwaarde van de nieuwe integrale werkwijze is ten opzichte van ‘care as usual’. De onderzoeksvragen luiden:

• Zijn er verschillen in ouder/kind tevredenheid, opvoedbelasting, doorlooptijd naar passende zorg, omvang en ernst van de problematiek tussen de kinderen/ouders in de nieuwe werkwijze vergeleken met kinderen/ouders in de ‘care as usual’?

• Hoe ervaren de betrokken professionals het proces (effectiviteit en efficiëntie) van de nieuwe werkwijze in vergelijking met ‘care as usual’? Waar kan de interventie verbeterd worden?

• Wat zijn de (geschatte) kosten van de nieuwe werkwijze t.o.v. ‘care as usual’ en hoe kan de werkwijze structureel worden bekostigd?

 

Het onderzoek heeft een Randomized Controlled Trial design. De experimentele conditie, zijnde de nieuwe werkwijze, zal worden vergeleken met ‘care as usual’, de controle conditie. Kinderen krijgen random een label (interventie/controle) voorafgaand aan het bezoek aan de kinderarts. Als blijkt dat er sprake is van psychosociale problematiek, zal de kinderarts afhankelijk van het toegekende label de nieuwe werkwijze (door naar jeugdverpleegkundige op de kinderpoli) of care as usual toepassen. Care as usual houdt in dat de kinderarts verwijst naar het CJG, jeugdhulp of terug naar de huisarts. Acute problematiek geldt als exclusiecriterium. De verwachting is dat ongeveer 225 kinderen in een jaar kunnen worden geïncludeerd door de kinderartsen. In totaal dienen 150 geïncludeerd te worden om ten minste 46 kinderen in zowel interventie- als controlegroep te krijgen. Dit aantal is nodig om een significant verschil in ouder/kind tevredenheid tussen beide groepen aan te tonen.

 

De nieuwe werkwijze past binnen het Basispakket JGZ en draagt bij aan transformatie-doelen uit de Jeugdwet en Jeugdagenda 2015-2018. Ze is gericht op betere signalering en bereik, een integrale preventieve aanpak en betere aansluiting van zorg en ondersteuning bij de problematiek. Ze draagt bij aan hogere kwaliteit en doeltreffendheid van de zorg. Er is nog nauwelijks wetenschappelijk onderzoek naar effectieve en efficiënte samenwerking tussen medische zorg en het sociale domein. Dit onderzoek biedt essentiële inzichten in manieren om de samenwerking tussen de JGZ en het sociale domein duurzaam te intensiveren.

 

*STZ = Samenwerking Topklinische opleidingsZiekenhuizen

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website