Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Behandeling in residentiële jeugdhulp - en onderliggende theoretische modellen - zijn van oorsprong gebaseerd op gedragsproblematiek bij jongens, aangezien vooral jongens een hoge prevalentie van antisociaal gedrag en delinquentie laten zien. Huidig onderzoek geeft antwoord op de vraag in hoeverre er sprake is van sekse specifieke behoeften van jongens en meisjes in de behandeling binnen JeugdzorgPlus, en of hier in de behandeling rekening mee wordt gehouden? Resultaten laten zien dat er verschillen zijn tussen jongens en meisjes in problematiek bij opname op zowel het individuele, gezins- als omgevingsdomein. Meisjes ontvangen vaker een gezinsinterventie dan jongens, voor individuele interventies is geen verschil te vinden. Wel zijn er verschillen in type interventies die bij jongeren en meisjes worden ingezet. Deze interventies lijken aan te sluiten bij de verschillen in problematiek tussen jongens en meisjes. Waar in de dossiers weinig sekse specifieke handelingsadviezen zijn terug te vinden, blijkt uit interviews met professionals dat het handelen afgestemd wordt op de specifieke unieke behoeften van een jongere.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Om zicht te krijgen op verschillen en overeenkomsten tussen jongens en meisjes in doelgroepkenmerken is gebruik gemaakt van de landelijke data uit de Jeugdzorgplus monitor (N=3.520 unieke jongeren). De resultaten laten zien dat meisjes vaker een hernieuwde plaatsing hebben dan jongens, er zijn geen verschillen in opnameduur van eerste opname en aantal doorplaatsingen. De leeftijd ten tijde van opname is gelijk. Echter, meisjes hebben gemiddeld een lager IQ dan jongens bij opname. Meisjes laten bij opname meer internaliserende problemen, emotionele problemen, problemen in de persoonlijkheidsontwikkeling, psychosociale problemen, en aan lichamelijke functies gerelateerde klachten zien. Op het gebied van het gezin blijkt dat meisjes vaker dan jongens problemen hebben in het gezin; meer ouder-kindrelatieproblemen, er is vaker sprake van verwaarlozing, misbruik, en mishandeling. Ook hebben meisjes vaker problemen met relaties, vrienden, sociale netwerk en vrije tijd. Jongens daarentegen laten vaker middelengebruik zien, problemen in de cognitieve ontwikkeling, overige problemen in het gezin, problemen op school/werk, problemen met politie en fysiek geweld in het gezin. Er is geen verschil op externaliserend probleemgedrag tussen jongens en meisjes bij opname. Gedragswetenschappers, die in het kader van dit onderzoek zijn geïnterviewd, beschreven gevraagd naar hun beeld van sekseverschillen in de problematiek bij de jongeren die zij behandelen, eenzelfde beeld.

 

Om zicht te krijgen op ingezette interventies tijdens de behandeling en behandeluitkomst is aanvullend dossieronderzoek (N=241) gedaan. Analyses laten zien dat meisjes vaker een gezinsgerichte interventie (43%) hebben ontvangen dan jongens (27%). Er zijn geen verschillen in de inzet van individuele interventies tussen jongens en meisjes. Wel blijkt dat meisjes vaker interventies gericht op internaliserende problemen hebben ontvangen en jongens vaker interventies gericht op middelengebruik. Ondanks dat de mate van externaliserende problemen bij meisjes en jongens gelijk is, lijkt er bij meisjes meer focus in behandeling te liggen op internaliserende problemen. Echter, als er internaliserende problematiek en/of traumatisering gezien wordt bij jongens, wordt hier vaker behandeling op ingezet.

 

Bij 78% van de jongeren was sprake van een positieve uitkomst, bij 9% was sprake van een negatieve uitkomst, en bij 5% was de uitkomst neutraal. Voor 8% was de uitkomst onbekend. Aangezien de groep met een negatieve uitkomst zeer klein was, konden geen analyses uitgevoerd worden waarbij probleemgedrag en interventies gerelateerd zijn aan de uitkomst van behandeling. Wel blijkt dat de groep jongeren met een negatieve uitstroom vaker jongens waren, en bij 40% geen interventie is ingezet tijdens behandeling. Daarnaast was deze groep vaker gediagnosticeerd met stoornissen gerelateerd aan hechting of ouder-kindrelatieproblematiek, lieten ze vaker middelengebruik zien, waren er meer problemen in het sociale netwerk van het gezin, en was vaker sprake van eigen problematiek van ouders.

 

In 13% van de gescoorde dossiers werden sekse specifieke handelingsadviezen beschreven, welke met name voorkwamen in de dossiers van meisjes. Dit riep de vraag op of er weinig sekse specifiek wordt gehandeld, of dat er wel sekse specifiek gehandeld wordt maar dit niet in de dossiers staat beschreven. Om deze reden zijn aanvullend interviews (N=18) gedaan met professionals om zicht te krijgen op sekse specifiek handelen in de dagelijkse praktijk. De conclusie is dat zowel jongens als meisjes veiligheid, duidelijkheid, structuur, en voorspelbaarheid nodig hebben, en hulpverleners waar op te vertrouwen is. Daarnaast zien professionals ook dat jongens en meisjes in de JeugdzorgPlus verschillende kenmerken en behoeften hebben. In de behandelpraktijk stemt men het handelen af op de specifieke behoeften van de individuele, unieke jongere, er wordt maatwerk geboden. Het lijkt erop dat men in de praktijk eerder individu specifiek werkt dan sekse specifiek.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Achtergrond

'Mireille is 17 jaar bij plaatsing in Jeugdzorgplus. Haar ouders zijn gescheiden toen ze 5 jaar was. Er is in het gezin vaak sprake geweest van huiselijk geweld. Tot de puberteit is Mireille een rustig en stil meisje, maar sinds ze naar het voortgezet onderwijs gaat laat ze opstandig en zelfbepalend gedrag zien. Ze spijbelt, liegt, is manipulatief, automutileert, is somber, agressief en laat seksueel overschrijdend gedrag zien.'

 

'Jasper is 12 jaar bij plaatsing in Jeugdzorgplus. Hij wordt gezien als een zwakbegaafde jongen met een belast verleden van huiselijk geweld en verwaarlozing. Vanaf zijn vijfde jaar laat hij opstandig en zelfbepalend gedrag zien. Op negenjarige leeftijd verergert Jasper’s gedrag: hij laat zich niet aansturen en laat druk en onvoorspelbaar gedrag zien. Hij is angstig, over alert en heeft een groot wantrouwen ten opzichte van anderen dat zich uit in agressie. Op zijn elfde komt hij voor het eerst met politie in aanraking vanwege gewelddadig gedrag.'

 

Het ontstaan, de uiting en het verloop van probleemgedrag bij het meisje en de jongen in de hiervoor beschreven casussen laten - naast enkele overeenkomsten - verschillen zien. Literatuur bevestigt deze verschillen tussen jongens en meisjes (o.a., Zahn-Waxler, Shirtcliff, & Marceau, 2008). Behandeling in residentiële zorg en onderliggende theoretische modellen zijn echter van oorsprong gebaseerd op gedragsproblematiek bij jongens, aangezien vooral jongens hoge prevalenties van antisociaal gedrag en delinquentie laten zien. Er kunnen vraagtekens gezet worden in hoeverre deze behandeling aansluit op de behoeften van meisjes, aangezien de uiting van antisociaal gedrag en de risicofactoren bij meisjes anders zijn dan bij jongens (Handwerk et al., 2006). Meer kennis over seksespecifieke behoeften in de behandeling bij jongens en meisjes is nodig om in de zorg beter te kunnen aansluiten op deze behoeften om daarmee de toekomstkansen te verbeteren.

 

Vraag/doelstelling

De centrale vraagstelling in dit onderzoek is: In hoeverre is er sprake van seksespecifieke behoeften van jongens en meisjes in de behandeling binnen Jeugdzorgplus en wordt hier in de behandeling rekening mee gehouden?

 

De volgende deelvragen kunnen hierbij onderscheiden worden:

1. Wat zijn de verschillen tussen jongens en meisjes in statische en dynamische doelgroepkenmerken bij opname?

2. Welke vormen van behandeling worden ingezet bij jongens en meisjes? En verschillen de interventies van jongens en meisjes in relatie tot de aanwezige problematiek?

3. Wat is de relatie tussen doelgroepkenmerken van jongens en meisjes, ingezette behandelinterventies en behandeluitkomst?

 

Relevantie

Er zijn verschillen tussen jongens en meisjes in prevalentie, uiting en verloop van probleemgedrag. Studies naar residentiele zorg hebben zich vooral gericht op jongens of de populatie als geheel. Slechts enkele studies hebben zich gericht op sekseverschillen. Deze beperkte studies omvatten veelal een kleine onderzoeksgroep meisjes, en de bevindingen zijn tegenstrijdig (Handwerk et al., 2006). Geconcludeerd kan worden dat specifieke behoeften van meisjes tot dusver onderbelicht zijn gebleven (Handwerk et al., 2006; Nijhof & Engels, 2015). Het belang van onderzoek naar behoeften van meisjes met gedragsproblemen in residentiële zorg lijkt echter groot gezien de omvang van de populatie in Jeugdzorgplus (bijna de helft meisjes, Jeugdzorg Nederland, 2015; Nijhof & Engels, 2015). Recent onderzoek laat daarnaast zien dat deze meisjes in de jongvolwassenheid een beperkt algemeen functioneren laten zien (o.a., Krabbendam, 2016). Inzicht krijgen in verschillen en overeenkomsten tussen jongens en meisjes in kenmerken - en ingezette behandeling - is van belang om zicht te krijgen op seksespecifieke behoeften in de zorg. Kennisontwikkeling over seksespecifieke behoeften is nodig om gendersensitiviteit in de behandeling te optimaliseren om de toekomstkansen van jongens en meisjes te verbeteren. Vanuit internationale literatuur blijkt dat de erkenning van seksespecifieke behoeften in de behandeling leidt tot een grotere behandeleffectiviteit (Baynes-Dunning & Worthington, 2012; Bloom & Covington, 2001).

 

Opzet en plan van aanpak

In dit onderzoek zullen wij eerst op basis van de Monitorgegevens kijken naar verschillen in kenmerken tussen jongens en meisjes. Vervolgens zal voor een deelpopulatie (tenminste 250 toestemming gevende jongeren, alleen uit de participerende instellingen) de informatie over DSM diagnoses aangevuld worden vanuit de registratiesystemen, en waar nodig – afhankelijk van de data in de Monitor - de ingezette interventies en reden beëindiging zorg. Na aanvulling van deze gegevens zal gekeken worden naar verschillen in diagnoses tussen jongens en meisjes, en ingezette interventies. Ten slotte zal gekeken worden naar de samenhang tussen positieve versus negatieve uitstroom (resultaat behandeling), doelgroepkenmerken en ingezette interventies bij jongens en meisjes.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website