Verslagen

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Kindermishandeling is een omvangrijk probleem met ernstige gevolgen voor individuele slachtoffers en de maatschappij. Prevalentiecijfers lijken erop te wijzen dat inspanningen die in de afgelopen jaren zijn verricht om kindermishandeling te verminderen, niet hebben geleid tot een substantiële vermindering van het aantal jaarlijks mishandelde kinderen. Bovendien laten overzichtsstudies zien dat interventies slechts in beperkte mate effectief zijn in het voorkomen van kindermishandeling.

 

Het huidige project is daarom gericht op het vergroten van de effectiviteit van vroegtijdig interveniëren. Het project bestaat uit zeven deelstudies die voortbouwen op de voorstudie en zich richten op de in de voorstudie geconstateerde knelpunten voor effectieve preventie.

 

De eerste deelstudie is gericht op verbetering van signalering van (risico’s op) kindermishandeling door scholen, huisartsen, de volwassen-GGZ en JGZ. In de voorstudie werd het tekortschieten in signalering namelijk het meest consistent als knelpunt genoemd, zowel door ouders, kinderen als professionals. In deze studie wordt ook onderzocht hoe voorlichting over kindermishandeling op scholen beter kan, omdat jongeren het vaakst voorlichting noemen als antwoord op de vraag wat werkt bij het voorkomen van kindermishandeling.

 

Studie 2 omvat onderzoek naar de effectiviteit van toepassing van het Risk-Need-Responsivity (RNR)-model in de context van (preventieve) jeugdhulp. Het RNR-model wordt in justitiële hulpverlening vaak toegepast omdat meta-analyses laten zien dat de effectiviteit van interveniëren het grootst is als wordt gewerkt met dit model. Het gaat hierbij om het afstemmen van zorg op het risico op (herhaling van) kindermishandeling en op de belangrijkste aanwezige veranderbare risico- en instandhoudende factoren. In de (preventieve) jeugdhulp wordt het RNR-model nog nauwelijks toegepast, wat de geringe effectiviteit van interventies ter voorkoming van kindermishandeling mogelijk verklaart. Bovendien bleek uit de voorstudie dat geschikte instrumenten voor toepassing van het RNR-model ontbreken.

 

Studies 3, 4 en 5 vergroten de kennis over wat werkt voor wie en onder welke omstandigheden in het voorkomen van kindermishandeling. Omdat de huidige kennis over de effectiviteit van interventies zeer beperkt is, wordt met bestaande datasets van eerder uitgevoerde effectstudies onderzocht wat het lange termijn effect is van een aantal interventies (studie 3), en wordt onderzocht wat voor wie werkt, en onder welke omstandigheden, door analyse van datasets van instellingen (studie 4). Daarnaast worden drie-level meta-analyses uitgevoerd om meer zicht te krijgen op welke componenten van interventies positief of negatief samenhangen met effectiviteit (studie 5).

 

In studie 6 wordt onderzocht in hoeverre de effectiviteit van bestaande preventieve interventies ter voorkoming van kindermishandeling kan worden verhoogd door het toevoegen van specifieke modules die gericht zijn op (a) het vergroten van zelfvertrouwen van ouders, (b) beter omgaan met stress, (c) beter omgaan met gevoelens van boosheid of (d) signaleren van traumagerelateerde klachten. De effectiviteit wordt enerzijds onderzocht in een RCT-studie voor het programma Stevig Ouderschap en anderzijds in een Single Case Experimental Design (SCED)-studie voor het programma VoorZorg.

 

Tot slot omvat studie 7 de ontwikkeling van een keuzetool waarmee inzichtelijk wordt welke interventies aangrijpen op welke risico- en instandhoudende factoren, op welke doelgroep de interventies zich richten, en in welke regio’s interventies worden aangeboden. Ook maakt de tool zichtbaar uit welke elementen interventies bestaan èn hoe sterk het bewijs is voor effectiviteit van (elementen van) deze interventies. De tool is bruikbaar bij het kiezen van passende interventies. De tool maakt ook inzichtelijk welke lacunes er zijn in het Nederlandse interventieaanbod.

 

De resultaten en producten die uit dit project voortvloeien zijn concreet en direct toepasbaar in de praktijk, en leiden naar verwachting tot een substantiële verbetering van de effectiviteit van interventies ter voorkoming van kindermishandeling.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Hieronder een overzicht van de resultaten die het project in de afgelopen 12 maanden heeft opgeleverd.

 

Voor deelstudie 1. werden kwalitatieve interviews uitgevoerd met professionals uit de jeugdgezondheidszorg (JGZ), volwassen geestelijke gezondheidszorg (GGZ), het basisonderwijs en het middelbaar onderwijs. De resultaten laten zien dat het signalerings- en meldgedag niet is verbeterd na invoering van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Professionals geven onder meer aan behoefte te hebben aan: (1) een bruikbaar instrumentarium voor het signaleren en inschatten van risico’s op kindermishandeling; (b) meer scholing op het gebied van kindermishandeling, en (c) betere samenwerking met ketenpartners en Veilig Thuis.

 

Daarnaast werd onderzocht in welke mate voorlichtingsprogramma’s over kindermishandeling op scholen worden ingezet, omdat zowel kinderen als ouders in de vorostudie aangaven hier veel belang aan te hechten. Wij vonden dat voorlichtingsprogramma’s nauwelijks worden ingezet op scholen: van de 84 ondervraagde scholen bleek slechts 1 school een dergelijke programma in te zetten. Om meer zicht te verkrijgen op de effectiviteit van schoolprogramma’s ter preventie van kindermishandeling voerden wij een meta-analyse uit, waaruit bleek dat deze programma’s leiden tot (a) meer kennis bij kinderen (b.v. dat kindermishandeling niet de schuld is van het kind, hoe vertrouwenspersonen geïdentificeerd kunnen worden, wat het verschil is tussen veilige en onveilige geheimen, en wat de rechten van kinderen zijn), en (b) een toename van zelfbeschermingsvaardigheden bij kinderen (b.v. onthullen van kindermishandeling, beter herkennen en vermijden van risicovolle situaties, toename sociaal-emotionele vaardigheden, toename zelfvertrouwen, meer assertiviteit).

 

In onze zoektocht naar effectieve componenten van preventieve interventies ter voorkoming van kindermishandeling (deelstudie 5.) voerden wij twee meta-analyses uit: (1) een meta-analyse naar oudertrainingsprogramma’s en (2) een meta-analyse naar huisbezoekprogramma’s. De eerste studie liet zien dat ouderprogramma’s gemiddeld genomen effectief zijn (d = 0.42) en dat de verschillende onderzochte componenten en technieken ongeveer even effectief zijn. De tweede studie liet een klein, maar significant effect zien van huisbezoekprogramma’s (d = 0.14). Programma's die (1) ouderlijke verwachtingen over hun kind of het opvoeden verbeteren, (2) zich richten op verbetering van de responsiviteit en sensitiviteit van ouders en (3) programma's die video-feedback gebruiken, lijken effectiever dan programma’s zonder één van deze componenten. Het verlenen van praktische of instrumentele hulp bleek juist negatief geassocieerd met het effect van huisbezoekprogramma’s.

 

Om meer kennis te verkrijgen over wat voor wie en onder welke omstandigheden werkt (deelstudie 4) voerden wij netwerkanalyses uit op verschillende databestanden, waaronder een bestand met risicofactoren van huiselijk geweldplegers (onderzoeksbestand van de Waag) en slachtoffers van kindermishandeling (onderzoeksbestand van de Viersprong). Netwerkanalyses maken inzichtelijk hoe risicofactoren onderling met elkaar samenhangen, wat de meest centrale risicofactoren zijn en welke feedbackloops te zien zijn (factoren die elkaar versterken), wat belangrijke aanknopingspunten voor effectieve behandeling kan bieden.

 

De dataverzameling voor de effectiviteitstudies (deelstudie 6.) naar de meerwaarde van het toevoegen van specifieke modules aan bestaande preventieve interventies duurt nog voort. In de VoorZorg-studie met het SCED-design (ook wel n=1-design genoemd) is de dataverzameling bij 8 casussen helemaal afgerond en wordt naar verwachting begin maart 2021 de dataverzameling bij 6 aanvullende casussen afgerond. Voor de RCT-studie zijn nu 111 moeders geïncludeerd en wij hopen eind dit jaar op 132 moeders uit te komen.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Kindermishandeling is een omvangrijk probleem met ernstige gevolgen voor individuele slachtoffers en de maatschappij. Prevalentiecijfers lijken erop te wijzen dat inspanningen die in de afgelopen jaren zijn verricht om kindermishandeling te verminderen, niet hebben geleid tot een substantiële vermindering van het aantal jaarlijks mishandelde kinderen. Bovendien laten overzichtsstudies zien dat interventies slechts in beperkte mate effectief zijn in het voorkomen van kindermishandeling. Het huidige project is daarom gericht op het vergroten van de effectiviteit van vroegtijdig interveniëren. Hiervoor is het essentieel te achterhalen waarom sommige preventieve interventies wel en andere niet werken. Hiertoe werd in fase 1 door het consortium een voorstudie uitgevoerd waarin de kennis over de effectiviteit van interveniëren werd geïnventariseerd. Deze voorstudie bestond o.a. uit een meta-analyse naar werkzame elementen, en interviews met professionals, ouders en kinderen. Het huidige project (fase 2) bestaat uit 7 deelstudies die voortbouwen op de voorstudie en die zich richten op de in de voorstudie geconstateerde knelpunten voor effectieve preventie.

 

De eerste studie is gericht op verbetering van signalering van (risico’s op) kindermishandeling door scholen, huisartsen, de volwassen-GGZ en JGZ. In voorstudie werd het tekortschieten in signalering namelijk het meest consistent als knelpunt genoemd, zowel door ouders, kinderen als professionals. In deze studie wordt ook onderzocht hoe voorlichting over kindermishandeling op scholen beter kan, omdat jongeren het vaakst voorlichting noemen als antwoord op de vraag wat werkt bij het voorkomen van kindermishandeling.

 

Studie 2 omvat onderzoek naar de effectiviteit van toepassing van het Risk-Needs-Responsivity (RNR)-model in de context van (preventieve) jeugdhulp. Het RNR-model wordt in justitiële hulpverlening vaak toegepast omdat meta-analyses laten zien dat de effectiviteit van interveniëren het grootst is als wordt gewerkt met dit model. Het gaat hierbij om het afstemmen van zorg op het risico op (herhaling van) kindermishandeling en op de belangrijkste aanwezige veranderbare risico- en instandhoudende factoren. In de (preventieve) jeugdhulp wordt het RNR-model nog nauwelijks toegepast, wat de geringe effectiviteit van interventies ter voorkoming van kindermishandeling mogelijk verklaart. Bovendien bleek uit de voorstudie dat geschikte instrumenten voor toepassing van het RNR-model ontbreken.

 

Studies 3 en 4 richten zich op het vergroten van kennis over wat werkt voor wie en onder welke omstandigheden in het voorkomen van kindermishandeling. Omdat de huidige kennis over de effectiviteit van interventies zeer beperkt is, wordt met bestaande datasets onderzocht wat het lange termijn effect is van een aantal interventies (studie 3), en wat werkt voor wie en onder welke omstandigheden door analyse van omvangrijke ROM-data (studie 4).

 

Studies 5 en 6 omvatten de ontwikkeling van optimaal vormgegeven modules bestaande uit specifieke werkzame elementen, die zowel als onderdeel van een interventie of als zelfstandige module kunnen worden ingezet en waarmee de effectiviteit van interveniëren kan toenemen. De voorstudie liet zien dat het effect van interventies op het voorkomen van kindermishandeling relatief groot is bij interventies die opvoedingsvaardigheden vergroten, het competentiegevoel van ouders vergroten, GGZ-problematiek van ouders aanpakken en persoonlijke vaardigheden van ouders vergroten. Onderzocht wordt hoe deze elementen optimaal kunnen worden vormgegeven (welke specifieke technieken zoals thuis oefenen, rollenspellen, en modellering, moeten met welke intensiteit en in welke volgorde worden toegepast?). Hiertoe wordt een uitgebreide meta-analyse uitgevoerd (studie 5). Daarnaast wordt bekeken wat het effect is van toevoeging van een aantal elementen aan bestaande interventies d.m.v. een serie experimenten waarin de effectiviteit van verschillende werkzame elementen wordt getoetst (studie 6).

 

Tot slot omvat studie 7 de ontwikkeling van een keuzetool waarmee inzichtelijk wordt welke interventies beschikbaar zijn voor welke risico- en instandhoudende factoren, doelgroep, kindermishandelingsvorm en regio’s, uit welke elementen deze interventies bestaan en hoe sterk het bewijs is voor effectiviteit van deze (elementen van) interventies. Deze tool is zeer bruikbaar bij het kiezen van passende interventies. Ook maakt de tool inzichtelijk welke werkzame elementen onderdeel zijn van beschikbare interventies, zodat tegemoet wordt gekomen aan de praktijkbehoefte om ook afzonderlijke elementen in te kunnen zetten of combinaties hiervan. De tool maakt ook inzichtelijk welke lacunes er zijn in het huidige interventieaanbod in Nederland.

 

De concrete resultaten en producten die dit project opleveren en de directe toepassing ervan in de praktijk leiden naar verwachting direct tot een verbetering van de effectiviteit van interventies ter voorkoming van kindermishandeling.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website