Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In een overzicht van wetenschappelijke literatuur over effectieve interventies voor jeugdigen uitgevoerd voor het ZonMw-programma ‘Effectief werken in de jeugdsector’, werd duidelijk dat algemeen werkzame factoren zoals non-verbaal gedrag, even belangrijk zijn voor therapiesucces als specifieke interventietechnieken. Desondanks bleek uit dit overzicht dat eerder onderzoek naar cliënt-, professional-, en alliantiefactoren en hun samenhang met zorgresultaat in de jeugdsector, vrijwel allemaal gebaseerd was op vragenlijstonderzoek en dat gebruik van observaties niet tot nauwelijks voorkomt.

 

Eerdere humaan-ethologische studies, waarbij wel gebruik gemaakt werd van observatie van non-verbaal interactie gedrag van volwassen depressieve cliënten en therapeuten, hebben echter geleid tot inzicht gevende bevindingen. Uit deze onderzoeken is onder andere gebleken dat het gedrag van zowel volwassen depressieve cliënten als therapeuten verschilt tussen intake interviews met cliënten die wel en cliënten die geen verbetering lieten zien na behandeling. Intake interviews met cliënten die geen verbetering lieten zien werden gekenmerkt door steun vragend gedrag van cliënten en zowel steun gevend, als afwijzend, gedrag van therapeuten. Deze resultaten zijn in overeenstemming met de interactionele theorie van depressie, welke suggereert dat de ontwikkeling van depressie het resultaat is van een interactioneel proces. Depressieve personen zouden ondersteunend gedrag uitlokken bij anderen in de omgeving. Het gedrag waarmee de ander reageert is een combinatie van ondersteunend en afwijzend gedrag. Dit zorgt ervoor dat de depressieve persoon, die zich op den duur bewust wordt van deze afwijzing, meer depressief gedrag zal laten zien om meer ondersteunend gedrag bij anderen uit te lokken.

 

De doelstelling van het huidige onderzoeksproject was om te onderzoeken of hetzelfde geldt voor adolescenten. Hiertoe werden adolescenten met angst- of stemmingsklachten en hun therapeuten gevraagd deel te nemen aan het onderzoek. Om zicht te krijgen op af- of toename van klachten vulden adolescenten aan het begin en eind van de behandeling vragenlijsten in omtrent depressie- en angstsymptomen. Het non-verbale gedrag van adolescenten en therapeuten, tijdens (één van) de eerste therapiesessie(s), werd opgenomen op video en gecodeerd door een expert gedragsanalist. Dit gecodeerde gedrag werd vervolgens opgedeeld in gedragscategorieën, gebaseerd op eerder onderzoek onder depressieve volwassen cliënten, om te gebruiken in statistische analyses.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Uit de resultaten blijkt dat wanneer adolescenten meer ‘Spraak inspanning’ vertonen, dit samenhangt met minder goede therapie uitkomsten, namelijk hogere depressie- en angstsymptomen aan het eind van de behandeling. De adolescent gedragsfactor ‘Spraak inspanning’ bestaat uit het aankijken van de therapeut, gebaren en hoofdbeweging terwijl de adolescent aan het woord is. Deze bevinding komt overeen met resultaten uit eerdere studies waarop het huidige onderzoek was gebaseerd. Hieruit bleek namelijk dat volwassen depressieve cliënten die geen verbetering lieten zien na hun behandeling, meer ‘Spraak inspanning’ vertoonden tijdens een intake interview. Het vertonen van veel ‘Spraak inspanning’ kan gezien worden als betrokkenheid bij de interactie, wat een teken kan zijn van het vragen van steun aan de therapeut. In deze zin komen de huidige resultaten overeen met de interactionele theorie van depressie, waarop het huidige onderzoek is gebaseerd. In tegenstelling tot de bevindingen van eerdere onderzoeken bleek geen van de therapeut gedragsfactoren voorspellend te zijn voor symptomen van angst en depressie aan het eind van de therapie.

 

Concluderend toont de huidige observationele studie aan dat non-verbaal gedrag dat adolescenten laten zien in het contact met hun therapeut voorspellend kan zijn voor het therapiesucces in de behandeling van internaliserende problematiek bij adolescenten. Dit benadrukt het belang van interpersoonlijke mechanismen voor het verloop van internaliserende problematiek.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In een recent overzicht van wetenschappelijke literatuur over effectieve interventies voor jeugdigen, uitgevoerd door Barnhoorn e.a. (2013) voor ZonMw, werd duidelijk dat voor therapiesucces algemeen werkzame (interventie-nonspecifieke) factoren zoals non-verbaal gedrag, even belangrijk zijn als specifieke interventietechnieken. Er wordt verondersteld dat bijna 60% van de menselijke communicatie non-verbaal is (Burgoon, 1985). Daarom is het doel van dit onderzoek het bestuderen van non-verbaal interactiegedrag van adolescenten en therapeuten om te kunnen identificeren welk gedrag voorspellend is voor verbetering en welk gedrag voorspellend is voor verslechtering van internaliserende stoornissen bij adolescenten.

Om het gedrag te kunnen identificeren zijn er per 1 mei 2016 reeds 27 participanten geïncludeerd (exclusief drop-outs) in het onderzoek. Om de inclusie van participanten te versnellen is besloten ook participanten te werven bij ons goed bekende samenwerkingspartners Bureau Studentenpsychologen, Universiteit Utrecht en de afdeling Stemming, angst en trauma (SAT), GGZ Altrecht. We verwachten met het uitbreiden van de locaties per 1 januari 2017 een inclusie van totaal 40 participanten (exclusief drop-outs) gerealiseerd te hebben. Hiermee kunnen we, analoog aan adequate steekproefgroottes in onderzoek bij volwassenen (bv., Bouhuys, 1993, N = 31; Hale, 1997, N = 34, N = 25), de beoogde statistische analyses uitvoeren.

Bij alle participerende adolescenten wordt in de intakefase een kort gestructureerd DSM-IV-TR interview (MINI; Sheehan e.a., 1998) afgenomen om de internaliserende stoornis te bevestigen. Het non-verbaal gedrag van zowel de cliënt als de therapeut in de eerste therapiesessie wordt opgenomen op video en gecodeerd in gedragscategorieën. De cliënt wordt bij de eerste en de laatste therapiesessie gevraagd vragenlijsten in te vullen over internaliserend probleemgedrag (zicht op afname of toename van klachten) en kleine schalen over therapie-alliantie en therapietevredenheid.

Het afnemen van een kort gestructureerd DSM-IV-TR interview (MINI; Sheehan e.a., 1998) past heel natuurlijk in de intakefase en verloopt zonder problemen. Het opnemen van de te coderen therapiesessies op video verloopt voorspoedig. De participanten die meedoen aan de video-opname en het interview blijken trouw in het ingevuld retourneren van de vragenlijsten over internaliserend probleemgedrag en de kleine schalen over therapie alliantie en tevredenheid bij aanvang en einde van de therapie.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Naar verwachting zal het huidige onderzoek nieuwe kennis opleveren met betrekking tot cliënt-, professional- en alliantiefactoren. Op dit moment zijn er echter nog geen resultaten beschikbaar. De studie is zo opgezet dat in deze eerste fase de dataverzameling plaatsvindt; de video-opnamen worden gemaakt, de interviews afgenomen en de door de participanten ingevulde vragenlijsten en schalen verzameld. In januari 2017 start de tweede fase van het onderzoek waarin de data verwerkt worden: de video-opnamen worden gecodeerd door professionals verbonden aan een gespecialiseerd onderzoeksbureau en de gegevens vanuit de interviews en vragenlijsten geanalyseerd door de onderzoekers. Dit is ook de fase waarin de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In een recent overzicht van wetenschappelijke literatuur over effectieve interventies voor jeugdigen, uitgevoerd door Barnhoorn e.a. (2013) voor ZonMw, werd duidelijk dat voor therapiesucces algemeen werkzame (interventie-nonspecifieke) factoren zoals bijvoorbeeld non-verbaal gedrag, even belangrijk zijn als specifieke interventietechnieken. Er wordt verondersteld dat bijna 60% van de menselijke communicatie non-verbaal is (Burgoon, 1985). Daarom is het doel van dit onderzoek het bestuderen van non-verbaal interactiegedrag van adolescenten en therapeuten om te kunnen identificeren welk gedrag voorspellend is voor verbetering en welk gedrag voorspellend is voor verslechtering van internaliserende stoornissen bij adolescenten. Zoals beschreven door Barnhoorn, e.a. (2013): Een aanbeveling voor vervolgonderzoek is dan ook om veldonderzoek te richten op de interacties tussen cliënten en hun professionals, en deze gegevens meetbaar te maken door observaties te coderen. (p. 40).

In een poging sociale interacties van personen met internaliserende problemen zoals depressie te begrijpen suggereerde Coyne (1985) dat internaliserend probleemgedrag het resultaat is van een interactioneel proces; de persoon probeert ondersteunend gedrag te ontlokken aan anderen in zijn / haar omgeving. Het gedrag van anderen is echter een combinatie van ondersteunend en afwijzend gedrag. Dit type interacties wordt verondersteld internaliserende problemen zoals als depressie, te initiëren en in stand te houden.

Studies naar internaliserend probleemgedrag en sociale steun zijn traditioneel uitgevoerd met vragenlijsten waarbij minder aandacht is geweest voor actueel gedrag in de interactie tussen personen met internaliserende problemen en anderen. Coyne en Bolger (1990) suggereren dat in het onderzoek naar sociale steun en internaliserende problemen zoals depressie, meer aandacht uit zou moeten gaan naar observeerbaar gedrag in interpersoonlijke relaties. Het direct bestuderen van gedrag van zowel de persoon met internaliserende problemen als gedrag van personen waarmee zij interacteren kan helpen deze sociale steuninteracties beter te begrijpen, dat wil zeggen, het geven en ontvangen van steun.

Hoewel er nog nauwelijks studies zijn uitgevoerd bij adolescenten hebben humaan-ethologische studies naar non-verbaal interactiegedrag bij volwassen cliënten geleid tot inzicht gevende bevindingen, ondersteunend voor bovengenoemde theorie van Coyne (bv. Bouhuys & Van den Hoofdakker, 1991, 1993). In deze studies wordt een transparant codeersysteem voor non-verbaal interactie gedrag gebruikt, gebaseerd op de frequentie en duur van de gedragingen. Bouhuys en Van den Hoofdakker (1993) lieten bijvoorbeeld zien dat een therapeut een 'aversieve reactie' toonde bij onvoldoende verbeterende depressieve patiënten door hogere frequenties van wegkijken tijdens aanmoedigingsgedrag van de therapeut, zoals voorspeld in de interpersoonlijke theorie van Coyne. Dergelijke bevindingen vanuit de studies naar non-verbaal gedrag bij volwassenen kunnen helpen om een licht te werpen op mechanismen in psychotherapie aan adolescenten.

Voor dit onderzoeksvoorstel zullen 60 adolescenten (in de leeftijd van 13 [vroege adolescenten] tot 24 jaar [late adolescenten]) met internaliserende problemen en hun therapeuten gevraagd worden te participeren. De adolescenten en hun therapeuten zullen geworven worden bij het Academisch Ambulatorium van de Universiteit Utrecht. Bij alle participerende adolescenten zal in de intakefase een kort gestructureerd DSM-IV-TR interview (MINI; Sheehan e.a., 1998) afgenomen worden om de internaliserende stoornis te bevestigen. Het non-verbaal gedrag van zowel de cliënt als de therapeut in de eerste therapiesessie zal opgenomen worden op video en gecodeerd in gedragscategorieën.

De cliënt zal bij de eerste en de laatste therapiesessie gevraagd worden vragenlijsten in te vullen over internaliserend probleemgedrag (zicht op afname, of toename van klachten) en kleine schalen over therapie alliantie en therapietevredenheid. Het invullen van deze lijsten kost maximaal een uur. De therapiesessies zijn inhoudelijk en qua tijdsbesteding niet anders dan voor adolescenten met internaliserende stoornissen die niet deelnemen aan het onderzoek.

Overdracht van nieuwe kennis over cliënt-, professional-, en alliantiefactoren uit deze studie zal o.m. plaatsvinden in de vorm van een handzaam overzicht voor professionals, mogelijke aanvullingen op behandelprotocollen, organisatie van een symposium, presentaties, artikelen in vak- en wetenschappelijke tijdschriften en voorstellen tot aanvullingen in (post) academisch onderwijs en supervisie.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website