Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Een belangrijk doel van de nieuwe jeugdwet van 2015 was om jeugdigen en hun ouders eerder de juiste hulp op maat te bieden en de inzet van (onnodige) specia¬listische hulp te verminderen.

Deze aanname was voor de Academische Werkplaats Jeugd Noord-Brabant aanleiding om in vier West-Brabantse gemeenten (Breda, Oosterhout, Roosendaal, Woensdrecht) een onderzoek op te zetten met de volgende twee doelstellingen:

1 Het ontwikkelen van een instrument voor generalistische professionals dat hen kan helpen bij hun afweging voor de inzet van specialistische hulp.

2 Het ontwikkelen van kennis over de samenhang tussen de organisatie van zorg in gemeenten en het inschakelen van specialisten.

 

In nauwe samenwerking met professionals en ouders is een digitale ondersteuningstool Bram. (Beslissen, Reflecteren & Analyseren Met ouders en jeugdigen) ontwikkeld, die ingezet kan worden wanneer er verschil van inzicht bestaat tussen ouders en professionals. In 2019 wordt Bram. nog uitgetest en doorontwikkeld. In December zal Bram. breed beschikbaar zijn.

 

Eén van de belangrijkste conclusies uit deelproject 2 is dat de inrichting van de toegangsorganisatie slechts ten dele invloed heeft op de inzet van specialistische hulp. Er zijn namelijk veel factoren, die samenhangen met de inzet van specialistische hulp, zoals preventieve activiteiten, inzet voorliggende veld, werk- en regeldruk, doorverwijzen van huisartsen en kosten. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt aanbevolen om te investeren in kwaliteitsmonitoring (uitval, cliëntentevredenheid, doelrealisatie)en de uitkomsten hiervan te bespreken met zorgaanbieders. Daarnaast wordt aanbevolen om de werking van de verschillende factoren, die van invloed lijken te zijn op de inzet van specialistische hulp op casusniveau te onderzoeken om te kunnen bepalen of het jeugdstelsel in de praktijk functioneert zoals dat beleidsmatig en bestuurlijk wordt beoogd.

 

Meer informatie over deelproject 2 is te vinden op onze website www.tilburguniversity.edu/nl/onderzoek/instituten-en-researchgroepen/tranzo/academischewerkplaatsen/jeugd/praktijk-producten-aw-jeugd/

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Deelproject 1 is gestart met met de volgende doelstelling:

 

‘Het bieden van handvatten aan generalisten, die ze kunnen gebruiken bij hun afweging om wel of geen specialistische hulp in te schakelen.’

 

Daarbij stonden 2 onderzoeksvragen centraal:

 

1.Op basis van welke overwegingen schakelen jeugdprofessionals, tijdens de begeleiding van gezinnen, specialistische hulp in?

2. Welk instrument kan bij het maken van deze beslissing ingezet worden?

 

Omdat de behoefte van de praktijk breder lag, is de scope van het onderzoek echter al vrij snel verbreed naar het totale besluitvormingsproces in de samenwerking met ouders, niet enkel meer het op- en afschalen:

 

“Het bieden van handvatten aan jeugdgeneralisten, die ze in kunnen zetten bij het proces van gezamenlijke besluitvorming rondom passende hulp voor gezinnen.”

 

Dit heeft geleid tot de tool BRAM. De professionals kunnen deze digitale tool inzetten als zij dilemma’s ervaren in de samenwerking met ouders in elke fase van het besluitvormingsproces.

 

De centrale onderzoeksvraag van deelproject 2 was: Wat is de samenhang tussen de manier waarop de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp is vormgegeven en de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp?

 

Aan de hand van de Realistische Evaluatie Methodiek is beschreven:

 

• Hoe de gemeentelijke toegang in vier West-Brabantse gemeenten is vormgegeven.

• Wat de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp is in deze vier gemeenten en hoe die zich heeft ontwikkeld sinds het begin van de decentralisatie.

• Welke contextuele factoren in deze vier gemeenten (mogelijk) invloed hebben op de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp.

• Welke mechanismen binnen de gemeentelijke toegang (mogelijk) invloed hebben op de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp.

• In hoeverre de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp verklaard kan worden door de contextuele factoren en mechanismen binnen de gemeentelijke toegang.

 

Het onderzoek heeft een rijke beschrijving opgeleverd van mechanismen binnen de toegang en contextfactoren daarbuiten (de ‘configuratie’). Er is in kaart gebracht op welke manieren mechanismen en contextfactoren gerelateerd kunnen zijn aan de inzet van gespecialiseerde hulp. De configuratie vormt een conceptueel model om de werking van het stelsel binnen gemeenten te onderzoeken en te vergelijken met andere gemeenten. Het model maakt duidelijk dat een decentraal jeugdstelsel een veelomvattend geheel aan factoren vormt die de uiteindelijke resultaten kunnen bepalen. Het blijkt nu nog een onzekere exercitie om de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp eenduidig toe te schrijven aan specifieke (configuraties van) mechanismen en contextfactoren. Dat komt ook omdat uit landelijke onderzoeken is gebleken dat indicatoren over de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp op dit moment nog aan betrouwbaarheid te wensen over laten. Op basis van patronen in de data hebben we vragen (hypotheses) geformuleerd over relaties tussen de toegang en de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp. Aanvullend onderzoek is nodig om na te gaan of de veronderstelde relaties kunnen worden bevestigd.

 

Het onderzoek richtte zich op de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp als een uitkomstmaat, omdat gemeenten dat in de eerste jaren van de decentralisatie een belangrijke indicator vonden die nauw samenhangt met de vraag hoe de kosten van jeugdhulp zich ontwikkelen. Voor het beoordelen van het functioneren van het jeugdstelsel als geheel, en de rol van de toegang daarin, zijn meer uitkomstmaten nodig. De uiteindelijke outcome van jeugdhulp komt ook tot uiting in de tevredenheid van ouders en jongeren over de hulp, de effecten van hulp (doelrealisatie), en de zelfredzaamheid van inwoners. Het meten van dergelijke indicatoren is sterk in ontwikkeling en biedt in de komende jaren waardevolle informatie over de uitkomsten van het decentrale jeugdstelsel zoals die vanuit de Jeugdwet wordt beoogd.

 

In relatie tot het aantal doorverwijzingen is het eveneens relevant om in beeld te brengen hoe de kosten van jeugdhulp zich sinds de decentralisatie hebben ontwikkeld. Dit heeft de projectgroep onderzocht. Echter, binnen de reikwijdte van dit onderzoek bleken er niet voor alle deelnemende gemeenten gegevens over kosten beschikbaar die op een valide manier met elkaar vergeleken kunnen worden.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Binnen de Academische Werkplaats Jeugd in Noord-Brabant wordt onderzoek gedaan bij 4 West-Brabantse gemeenten. Het onderzoeksproject heeft een tweeledig doel:

 

*Enerzijds worden handvatten ontwikkeld die generalistische professionals helpen bij de afweging om wel of geen specialisten in te schakelen voor gezinnen waarbij een begeleidingsbehoefte is vastgesteld. Met de invoering van het nieuwe jeugdhulpstelsel is dit voor de generalistische professional een nieuwe taak.

* Anderzijds zal inzicht verkregen worden in de samenhang tussen de manier waarop gemeenten de toegang tot de zorg hebben georganiseerd en het verloop van het inschakelen van specialisten.

 

 

Het project is een verdieping van de Transformatiemonitor Jeugd waarmee door West-Brabantse gemeenten wordt gewerkt en die hen in staat stelt om de vastgestelde beleidsdoelen te monitoren.

 

In het eerste jaar zijn 22 casussen bestudeerd waarin het dilemma wel / niet opschalen speelde. Daarnaast zijn uit de vier betrokken gemeenten de beleidsambtenaren en coördinatoren van het team jeugdspecialisten geïnterviewd.

In 2017 zal de analyse van de casussen afgerond worden en wordt er een eerste versie van een tool ontwikkeld. Daarnaast worden ook de beleidsambtenaren en coördinatoren opnieuw geïnterviewd om op deze manier meer inzicht te krijgen in de mechanismen en contextfactoren, die een rol spelen bij het wel dan niet verwijzen naar niet-toegankelijke jeugdzorg.

 

Het project betreft een samenwerking tussen Avans Hogeschool, de GGD West-Brabant, LOC zeggenschap in zorg, de gemeenten Roosendaal, Breda, Oosterhout en Woensdrecht en Tranzo Universiteit van Tilburg.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In 2016 zijn 22 casussen bestudeerd waarin het dilemma wel / niet opschalen een rol speede. De gegevens uit deze besprekingen worden momenteel geanalyseerd. De resultaten hiervan zullen gebruikt worden bij het ontwikkelen van een eerste concept van een afwegingstool.

 

Daarnaast hebben er interviews plaatsgevonden met beleidsambtenaren en coordinatoren van de teams jeugdprofessionals. De resultaten hiervan worden eerst besproken met en gecheckt bij de desbetreffende geinterviewden, voordat ze verder verspreid worden. In 2017 worden dezelfde personen werderom geïnterviewd om een completer beeld te krijgen van de mechanismen en contextfactoren, die een rol spelen bij verwijzingen naar niet-toegankelijke jeugdzorg.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

ACHTERGROND

Vanaf 1 januari is de nieuwe Jeugdwet in werking getreden. Deze nieuwe wet heeft tot doel het jeugdstelsel te vereenvoudigen, efficiënter en effectiever te maken. Door de (financiële) verantwoordelijkheid voor de jeugdhulp onder te brengen bij de gemeenten hoopt de regering een einde te maken aan de versnippering in de jeugdzorg. De beleidsaanname die ten grondslag ligt aan de transformatie is dat het dichterbij het gezin organiseren van zorg en het stimuleren van de eigen kracht van gezinnen, leidt tot minder gebruik van de niet vrij toegankelijke zorg.

In West-Brabant hebben gemeenten een aantal concrete beleidsdoelen vastgesteld, die naadloos aansluiten bij deze beleidsaanname van het nieuwe jeugdhulpstelsel. Aan deze doelen ligt de ambitie ten grondslag om meer gezinnen op eigen kracht opvoed- en opgroeidrempels te laten nemen. Essentieel daarbij is de rol van de professionals. Zo hebben generalisten (professionals in de vrij toegankelijk hulp) de opdracht om niet te snel specialistische (niet vrij toegankelijke) zorg in te schakelen. Deze taak, het besluiten over opschaling naar specialistische hulp, is nieuw voor de generalisten en zij kunnen hier ondersteuning bij gebruiken.

 

INSTEEK HUIDIGE ONDERZOEKSPROJECT

Het onderzoeksproject voorziet enerzijds in de behoefte aan handvatten voor generalistische professionals bij de afweging om wel/geen specialisten in te schakelen voor die gezinnen waarbij een begeleidingsbehoefte is vastgesteld. Anderzijds is het een verdieping van de Transformatiemonitor Jeugd, waarmee door West-Brabantse gemeenten wordt gewerkt. Deze monitor stelt deze gemeenten in staat om de vastgestelde beleidsdoelen te monitoren. In het onderzoeksproject wordt aangesloten op de behoefte van bestuurders om inzicht te krijgen in de effectiviteit van het jeugdhulpstelsel.

 

DOELEN EN DEELPROJECTEN

Het onderzoeksproject heeft twee doelen en bestaat uit twee parallelle en complementaire deelprojecten: Doel 1. Het bieden van handvaten aan generalisten, die ze kunnen gebruiken bij hun afweging om wel of geen specialistische hulp in te schakelen. Doel 2. Het verkrijgen van inzicht in de samenhang tussen de manier waarop gemeenten de toegang hebben georganiseerd en het verloop van het inschakelen van specialisten

 

VRAAGSTELLINGEN

In het eerste deelproject worden de volgende vragen beantwoord:

1a. Op basis van welke overwegingen dienen generalisten, tijdens de begeleiding van gezinnen, specialistische hulp in te schakelen?

1b Welk instrument kan hiervoor worden ingezet?

Het tweede deelproject kent vier vraagstellingen:

2a. Hoe is het verloop van doorverwijzingen in de periode 2016-2018 in verschillende gemeenten?

2b. Hoe is het toegangsproces binnen geselecteerde gemeenten georganiseerd?

2c. Hoe functioneert het toegangsproces?

2d. Op welke wijze kunnen verschillen in aantallen doorverwijzingen verklaard worden door de werkprocessen en de organisatie van de toegang in de gemeenten?

 

DATAVERZAMELINGSMETHODE

Het toegangsproces naar de zorg is complex, divers en situaties zijn veranderlijk. Dit vraagt om een methode die ruimte geeft om aan te sluiten bij dit proces. Hiervoor wordt de Realistische Evaluatie Methodiek gebruikt. Deze methodiek gaat uit van vier concepten (1. mechanismen, 2. context, 3. outcome patronen en 4. mechanismecontext en outcome configuratie).

 

Voor het onderzoeksproject wordt de methodiek van de multiple casestudie ingezet. Bij een multiple casestudie worden meerdere casussen op dezelfde beschrijvende manier bestudeerd en met elkaar vergeleken om tot een meer generaliserende verklaring of theorie te komen. Het onderzoek is gericht op vier gemeenten: Breda, Oosterhout, Woensdrecht en Roosendaal. Tijdens de uitwerking en uitvoering van het onderzoeksproject zal regelmatig advies worden ingewonnen bij de begeleidingscommissie. In deze commissie zijn het NJi, organisaties voor maatschappelijk werk, welzijnswerk en jeugdhulpverlening, gemeenten, Avans, Tranzo, een cliëntenorganisatie en GGD vertegenwoordigd

 

Het onderzoeksproject is een unieke samenwerking van GGD West-Brabant, Tranzo, Avans en West-Brabantse gemeenten. Bovendien is het project ingebed in de Academische Werkplaats Jeugd (AWJ), gevestigd bij Tranzo, Tilburg University. Aan de AWJ is een groot aantal organisaties uit de jeugdsector verbonden: jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg, jeugd-GGZ, jeugd-licht verstandelijke beperking, hogescholen, kennisinstituten, en cliënten-vertegenwoordiging. Deze constructie maakt dat wetenschappelijke kennis en kennis van de praktijk in het onderzoeksproject worden gecombineerd en geïntegreerd. De onderzoeksresultaten worden lokaal, regionaal en landelijk gedeeld door aan te sluiten bij bestaande overlegstructuren en platforms.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website