Projectomschrijving

Samenvatting na afronding

In de APRIL studie is geëvalueerd of een lage dosis aspirine vroeggeboorte kan voorkómen bij vrouwen die eerder een spontane vroeggeboorte hebben gehad.

Resultaten

De afgelopen 3 jaar hebben 406 vrouwen aan de APRIL studie deelgenomen in 34 ziekenhuizen. Zij werden behandeld met aspirine (80 mg) of placebo vanaf 8-16 tot aan 36 weken zwangerschap. Het percentage vroeggeboorte in de aspirinegroep lag iets lager dan in de placebogroep, maar in de statistische analyse waren deze verschillen niet groot genoeg (mogelijk wegens een underpower issue) om het middel op dit moment voor deze groep aan te bevelen. Het aantal complicaties van de pasgeboren baby’s was ook nagenoeg gelijk in beide behandelgroepen.
Vooralsnog is daarom het advies geen aspirine voor te schrijven aan vrouwen met een eerdere spontane vroeggeboorte.


Samenvatting bij start

In Nederland worden per jaar ruim 13.000 kinderen te vroeg geboren, onder de grens van 37 weken. Vrouwen die ooit te vroeg zijn bevallen hebben een grote kans op herhaling van spontane vroeggeboorte in een volgende zwangerschap. Uit onderzoek van de placenta (moederkoek) is bekend dat er veel overeenkomsten zijn tussen vrouwen die een vroeggeboorte hebben doorgemaakt en vrouwen die een preeclampsie (zwangerschapsvergiftiging) hebben doorgemaakt.

Het toedienen van aspirine aan vrouwen die in een eerdere zwangerschap een vroege preeclampsie hebben doorgemaakt, is zinvol in het verminderen van het heroptreden van de ziekte in de huidige zwangerschap. Gezien de overeenkomsten bij deze twee groepen ontstond de hypothese dat het toedienen van aspirine ook zinvol zou kunnen zijn bij vrouwen die ooit een spontane vroeggeboorte doormaakten.

In de huidige APRIL studie zal het effect van aspirine worden onderzocht op herhaalde spontane vroeggeboorte bij 406 vrouwen.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website