Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In 2011 werden 1366 personen met risicofactoren voor een ernstig beloop gevaccineerd tegen Q-koorts. Van 263 gevaccineerden werd na 6 en 12 maanden de cellulaire en humorale immuunrespons bepaald. Deze werd vergeleken met een soortgelijke groep van 200 mensen die een natuurlijke infectie hadden doorgemaakt en een jonge, gezonde groep bij wie het vaccin effectief was gebleken.

De antistofrespons in de gevaccineerde groep bleek veel lager te zijn dan in de vergelijkbare groep na een natuurlijke infectie. De antistofrespons was ook lager dan in de gevaccineerde, jonge en gezonde personen. In bijna een kwart van de gevaccineerden was geen humorale of cellulaire respons aantoonbaar en dit was geassocieerd met het gebruik van immuunsuppressiva en hogere leeftijd. De uitkomsten van de studie suggereren dat Q-koorts vaccinatie bij oudere personen met risicofactoren minder effectief is dan bij jonge personen bij wie de effectiviteit is aangetoond.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Van 263 gevaccineerden werd na 6 en 12 maanden IgG en IgM antistoffen bepaald m.b.v. meerdere testen (IFA, ELISA, CBR) tegen meerder antigenen (fase 1 en Fase 2). Daarnaast werd de cellulaire immuunrespons bepaald door C.burnetii specifieke interferon-gamma productie te meten. Van de gevaccineerden had 24% geen enkele meetbare respons na 6 en 12 maanden en bij de overigen was de respons significant lager in vergelijking met 200 ouderen na een natuurlijke infectie en gezonde jongeren na vaccinatie.

De lage immuunrespons was geassocieerd met het gebruik van immuunsuppressive medicatie en met hogere leeftijd.

Er zijn meerdere verklaringen mogelijk, maar de uitkomsten van de studie suggereren dat Q-koorts vaccinatie bij oudere personen met risicofactoren minder bescherming biedt dan bij jonge personen.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Rationale: De Gezondheidsraad heeft medio 2010 het advies uitgebracht om alle personen die in een gebied met een hoge incidentie van Q-koorts wonen maar nog geen Q-koorts hebben doorgemaakt, en die ook een verhoogd risico hebben op een ernstig chronisch beloop van Q-koorts, tegen Q-koorts te vaccineren. Het gaat hierbij om personen met aneurysmatisch vaatlijden, een vaatprothese of een hartklepprothese. Bekend is dat bij mensen, die al geëxposeerd zijn geweest aan Coxiella burnetii, het vaccin sterk reactief is. Daarom is vaccinatie alleen aanbevolen voor risicopatiënten die volgens voorafgaande screening geen antistoffen tegen Q-koorts en geen positieve huidrespons na intracutane toediening van Coxiella burnetii hebben.

Deze aanpak is uniek in de wereld. Alleen in Australië wordt routinematig tegen Q-koorts gevaccineerd, maar dit betreft jonge en gezonde schaapscheerders en abattoirwerkers zonder voorafgaande expositie aan C. burnetii. De respons op vaccinatie bij deze gezonde jonge volwassenen is ten dele bekend.

Over de antistofrespons en de overige (cellulaire) immuunrespons bij de huidige groep gevaccineerden (merendeels ouderen met een of meer onderliggende ziekten), is niets bekend. Gericht onderzoek naar deze respons en vergelijking van deze respons met die na een natuurlijke infectie, zal inzicht geven in de aard van de beschermende respons én in de immunologische effecten van de vaccinatie bij oudere personen met een verhoogd risico op gecompliceerde chronische Q-koorts.

Doelstellingen: Wat is de humorale antistofrespons en wat is de cellulaire immuunrespons op vaccinatie tegen Q-koorts bij mensen met een verhoogd risico op een gecompliceerd beloop van Q-koorts? Welke factoren bepalen deze respons? In welke mate verschilt deze respons na vaccinatie (kwantitatief en kwalitatief) van die na een natuurlijke infectie?

Opzet van het onderzoek: Het betreft een observationele “post-vaccinatie” studie bij personen die gevaccineerd zijn tegen Q-koorts. Er zijn twee controlegroepen: personen die in de huidige vaccinatiecampagne wel zijn gescreend, maar wegens een al aanwezige immuunrespons niet zijn gevaccineerd, en binnen die groep de personen die niet zijn gevaccineerd, omdat zij, zonder symptomen, een serologisch profiel van chronische Q-koorts bleken te hebben. Daarnaast wordt een historische controle gebruikt: personen die eerder een klinisch relevante Q-koortsinfectie hebben doorgemaakt. De meetmomenten zijn bij de gevaccineerden 3, 6 en 12 maanden, na vaccinatie, bij de niet-gevaccineerden na 3, 6 en 12 maanden na de screening, en bij de historische controle 3, 6 en 12 maanden na de 1e ziektedag.

Studie populatie: De studie wordt uitgevoerd bij 200 gevaccineerden, 50 personen die na screening zijn uitgesloten van vaccinatie op basis van serologie passend bij een doorgemaakte Q-koorts infectie, en bij alle (waarschijnlijk 20 à 30) patiënten die bij screening een chronisch profiel bleken te hebben zonder verdere symptomen. Voor de historische controle wordt gebruik gemaakt van al aanwezige gegevens van patiënten die in de afgelopen jaren Q-koorts hebben gehad (n = 200). Alle personen zijn volwassen. De meeste gevaccineerden en degenen die wel zijn gescreend, maar niet gevaccineerd, zijn ouder dan 50 jaar.

Interventie: Bij alle gevaccineerden en van alle personen die zijn gescreend in het kader van de vaccinatiecampagne is, binnen het raam van de vaccinatie campagne, al een prevaccinatie monster stolbloed en heparinebloed afgenomen. Voor de hier voorgestelde studie wordt op genoemde tijdstippen nog eens 1 buis stolbloed en 2 buizen heparinebloed afgenomen (in totaal 30 ml bloed). Daarnaast zal op genoemde tijdstippen een vragenlijst worden afgenomen om informatie te verkrijgen over de immuunrespons mogelijk beïnvloedende comorbiditeit en comedicatie.

Belangrijkste studie parameters/eindpunten: Voor de humorale immuunrespons worden m.b.v. een IFA, ELISA en CBR tegen fase I en II eiwitten van C.burnetii specifieke IgG en IgM antistoffen in serum bepaald. Daarnaast worden antistoffen bepaald tegen een reeks van C.burnetii eiwitten m.b.v. een micro-array. De PCR wordt gedaan van bloed. Voor de cellulaire immuunrespons wordt na stimulatie van volbloed met C.burnetii de interferon gamma (IFN-γ) en IL-10 productie gemeten m.b.v. een ELISA, en (bij een subset van de patiënten) na stimulatie van geïsoleerde mononucleaire cellen, monocyten en T-cellen met hele C.burnetii bacteriën en met C.burnetii -bestanddelen, een meer uitgebreid Th1- en Th2 cytokine profiel.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website