Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Teken kunnen ziektes overdragen tijdens het bloedzuigen. In 2016 is het tekenencefalitisvirus (TBEV) voor het eerst in Nederlandse teken aangetroffen. Om het risico op vestiging en verspreiding van dit virus in Nederland beter in kaart te brengen, richtte dit onderzoek zich op het 1) identificeren van hoogrisicogebieden, 2) onderzoeken welke ecologische omstandigheden gunstig zijn voor TBEV circulatie, 3) bepalen van de TBEV-prevalentie in teken en gastheren, en 4) vaststellen wat de genetische oorsprong is van het virus. De belangrijkste conclusies zijn dat twee verschillende TBEV-stammen permanent aanwezig zijn in NL en dat het verspreidingsgebied groter is dan aanvankelijk gedacht. Hoewel de ecologische omstandigheden in NL gunstig zijn voor circulatie van het virus, is het percentage geïnfecteerde teken in hoogrisicogebieden bijzonder klein (ca. 0,01%). Langjarige monitoring blijft noodzakelijk om aanwezigheid in andere gebieden en mogelijk verdere verspreiding tijdig te detecteren.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De belangrijkste bevindingen van dit project zijn dat TBEV permanent in Nederland aanwezig is, maar dat de prevalentie van het virus in teken erg laag is (ca. 0,01%). Naast de twee bekende risicogebieden (Utrechtse en Sallandse Heuvelrug) blijkt uit onze monitoring dat het virus ook circuleert in twee andere natuurgebieden (Rijk van Nijmegen en Natuurpark de Leemputten). Het is niet ondenkbaar dat het virus in meer locaties aanwezig is. Vanwege de lage prevalentie blijft detectie echter lastig en is een langjarige monitoring van teken noodzakelijk.

 

Op dit moment circuleren in ieder geval twee verschillende virusstammen van het Europese subtype (TBEV-Eu) in Nederland. Op de Utrechtse Heuvelrug circuleert een stam die overeenkomt met de Neudörfl stam, het prototype van TBEV-Eu. Op de Sallandse Heuvelrug circuleert een stam welke tot voor kort uniek was voor Nederland, namelijk TBEV-NL. Deze stam is recent ook opgedoken in Engeland. Het is vooralsnog onbekend waar de oorsprong ligt van de TBEV-NL stam en of er nog meer stammen in Nederland circuleren. Vervolgonderzoek zal dit moeten uitwijzen.

 

Risicogebieden voor TBEV worden gekarakteriseerd door een vegetatie bestaande uit gemixte bossen of naaldbossen, een relatief hoge aanwezigheid van reeën (welke nodig zijn voor een voldoende grote tekenpopulatie), en een hoge dichtheid aan bosmuizen (welke belangrijk zijn voor co-feeding transmissie). Co-feeding vindt met name in de maanden april – juli plaats, wanneer larven en nimfen gelijktijdig actief zijn en de kans op virustransmissie het grootst is. Dat cofeeding vanaf het late voorjaar tot ver in de zomer voorkomt is in tegenstelling tot wat lang werd aangenomen: dat larven en nimfen gedurende slechts een korte periode in het vroege voorjaar gelijktijdig aanwezigheid zijn op muizen en dat de klimatologische omstandigheden hiervoor afwezig zouden zijn in Nederland. Onze studie laat echter zien dat 1) het Nederlandse klimaat wel degelijk gunstig is voor co-feeding, 2) co-feeding relatief vaak voorkomt (op ca. 12% van de muizen in april – juli), en 3) gedurende een veel langere periode dan aanvankelijk gedacht.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Teken kunnen ziektes overdragen tijdens het bloed zuigen. In 2016 is aanwezigheid van het tekengebonden encefalitis virus in zowel in reeën als teken geconstateerd in een aantal gebieden in Nederland. Ook zijn de eerste gevallen bij mensen vastgesteld. Om het risico op vestiging en verspreiding van deze ziekte in Nederland beter in kaart te brengen, richt dit onderzoek zich op (1) het identificeren van hoog-risico gebieden gebaseerd op ecologische omstandigheden en biodiversiteit van gastheren (muizen, reeën e.d.), (2) het onderzoeken van de rol van ‘co-feeding’ transmissie in relatie tot klimaat, (3) het in kaart brengen van de prevalentie van virus en antilichamen in teken en gastheren en (4) genetische analyses om de oorsprong van het virus in Nederland vast te stellen. Hiermee draagt het project bij aan vroegtijdige signalering en biedt het handvatten om gericht deze virusziekte te lijf te gaan. Het project is een samenwerking tussen Wageningen University en Artemis One Health.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Gedurende de eerste anderhalf jaar hebben we veldwerk opgezet in diverse natuurgebieden in Nederland. We hebben gekeken naar de relaties tussen klimaat en de activiteit van teken in de vegetatie en op muizen in het vroege voorjaar. Deze data combineren we met historische data om te kijken of er in de afgelopen jaren veranderingen zijn opgetreden in het vóórkomen van 'co-feeding' (het gelijktijdige voeden van larven en nimfen op muizen). Op basis van bloedtesten bij reeën (uitgevoerd door het RIVM), zijn voorlopige hoog-risico gebieden aangewezen. In deze gebieden zijn vervolgens in de zomer van 2018 muizen gevangen en getest op blootstelling aan het tekenencephalitis virus. Ook de teken op deze muizen worden op dit moment getest op aanwezigheid van het virus (Artemis One Health), als ook op andere ziekten die overdraagbaar zijn tussen mensen en dieren (RIVM).

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Tick-borne pathogens have a significant impact on human and animal health, agriculture and the economy. The east-to-west migration of tick borne encephalitis (TBE) on the Eurasian continent up to Germany has been well documented. Autochthonous TBE virus (TBEV) infection has only recently been identified in animals in The Netherlands, while the first clinical cases were recently diagnosed. Data on prevalence and subsequent disease risk are lacking, however. TBEV-COMEIN will gather data to assess the risk that the recently identified occurence of TBEV in The Netherlands will lead to a sustained and serious public and animal health problem. The studies performed by TBEV-COMEIN will provide crucial elements for establishing TBEV surveillance, early warning and intervention strategies in The Netherlands. TBEV-COMEIN will first analyse habitat, biodiversity of rodents and large mammals, as well as environmental conditions associated with TBEV circulation in The Netherlands, with endemic Germany as a reference. To this end microclimatic conditions in TBEV-endemic areas in Germany will be compared with potential “high-risk” areas in The Netherlands. These data will also be used to initiate studies to detect TBEV in ticks, and TBEV-specific antibodies in small and larger mammals. As the ability of TBEV to spread has been suggested to largely depend on co-feeding transmission between infected Ixodes ricinus nymphs and uninfected larvae on small rodents, the importance of this phenomenon will be studied. Subsequently TBEV prevalence in ticks from established and newly selected “high-risk” areas will be studied by RT-PCR, as well as TBEV antibody prevalence in rodents and larger mammals by serological assays. Molecular TBEV phylo-geography data will be generated to study origin and if possible dynamics of TBEV in The Netherlands. Finally the ecological, acarological, virological, and epidemiological data generated in TBEV-COMEIN will be used as crucial elements to design a blueprint for surveillance, early warning and communication, and to identify priorities for future intervention strategies for TBE in The Netherlands. All TBEV-COMEIN activities will be carried out in agreement and close collaboration with -and complementary to- activities on TBEV surveillance, and intervention that will be carried out by RIVM.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website