Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In dit onderzoek is op verschillende manieren gekeken welke kernelementen van cognitieve gedragstherapie (CGT) de belangrijkste bijdrage leveren aan de werkzaamheid ervan bij angst- en stemmingsklachten en -stoornissen, bij kinderen en jongeren. CGT bestaat uit verschillende onderdelen, zoals exposure (waarbij jongeren met angstklachten oefenen met beangstigende situaties die ze het liefst uit de weg gaan) en activatie (waarbij sombere jongeren weer activiteiten gaan doen waar ze vroeger wel energie uithaalden). Met een scoringssysteem (taxonomie) brachten we in kaart welke kernelementen in welke interventies zitten. Vervolgens keken we welke kernelementen vooral effectief zijn, bijvoorbeeld door de resultaten van verschillende (inter)nationale onderzoeken samen te nemen en dan te kijken naar de effectiviteit van de kernelementen. Ook deden we grote studies op scholen en in de GGZ om te kijken wat behandelingen effectief maakt, we hebben professionals bevraagd, en hielden gesprekken met ouders, kinderen en professionals. Op basis van de resultaten uit de verschillende onderzoeken met heel verschillende onderzoeksmethoden konden we een aantal voorlopige conclusies trekken over werkzaamheid van sommige kernelementen en aanbevelingen doen voor implementatie en voor vervolgonderzoek.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

We vonden consistent aanwijzingen dat cognitieve gedragstherapie (CGT), in allerlei vormen, helpt bij het verminderen van angst- en stemmingsklachten en -stoornissen.

Over angst konden we op basis van bestaand (inter)nationaal onderzoek concluderen dat de elementen modelling en terugvalpreventie bijdroegen aan een beter behandelresultaat en dat jeugdigen met ernstigere klachten minder baat hebben bij behandeling dan jeugdigen met mildere klachten. Ook is exposure een belangrijk kernelement en blijken verschillende uitvoeringen effectief, zoals uitgevoerd door een behandelaar in een instelling, of als huiswerk door ouders of kind. Bij middelbare scholieren met spreekangst bleek de combinatie van exposure en cognitieve herstructurering of exposure met relaxatie niet effectiever dan een training met alleen exposure. Opvallend was dat alle aspecten van angst over tijd veranderen, onafhankelijk van de module die werd ingezet. Het effect lijkt dus niet specifiek voor de module. Bij jongeren met een angststoornis in de GGZ werd een intensieve en geoptimaliseerde versie van een exposure-behandeling uitgevoerd. Ongeveer de helft van de deelnemers had na de behandeling geen angststoornis meer.

Bij depressie vonden we uit bestaande onderzoeken dat activatie en gedachten uitdagen belangrijke kernelementen zijn, naast het betrekken van ouders bij de behandeling. Naast activatie en cognitieve herstructurering zijn ook ontspanningsoefeningen en probleem oplossen, de belangrijkste kernelementen van CGT bij depressie. Uit een groot onderzoek naar geïndiceerde preventie bij middelbare scholieren bleek dat de volgorde waarin deze CGT modules werden aangeboden niet uitmaakte, bij alle onderzochte volgordes zagen we na afloop van de training en na 6 maanden, minder depressieve symptomen. Ook bleek de volgorde van CGT-componenten niet relevant voor het effect op de veronderstelde mediërende mechanismen. Wel zijn er eerste aanwijzingen dat sommige jongeren baat hebben bij het beginnen met cognitieve herstructurering, namelijk oudere jongeren, jongeren met meer externaliserende problemen en jongeren met een hoog stress level. We onderzochten ook of de kernelementen goed aansloegen bij jongeren met een depressie in de specialistische GGZ. Het bleek moeilijk hen te motiveren voor deze modules en voor alle metingen die we hadden gepland. Het is de vraag of we voor deze jongeren de kernelementen niet verder moeten aanpassen of andere elementen moeten toevoegen.

Uit de surveys onder professionals bleek een grote behoefte om modulair te werken en niet volledige behandelprotocollen met een vaste volgorde te gebruiken. Uit de survey bleek ook dat kernelementen waarvan we weten dat ze werken (exposure) dan weleens worden weggelaten (bij 50% van de angstbehandelingen). Het is belangrijk om verder onderzoek te doen naar de optimale balans tussen het personaliseren van behandelingen en het uitvoeren van vaste behandelingen bestaande uit kernelementen die gemiddeld genomen effectief zijn. De onderzoeken laten wel zien dat een aantal kernelementen belangrijk zijn om aan te bieden. In de praktijk blijkt dat een groot deel van de behandelingen niet alle belangrijke kernelementen bezit. Zo wordt activatie maar deels uitgevoerd en wordt het monitoren van activiteiten, het maken van een activatieplan en het uitleggen van activatie niet beschreven. Daarnaast blijkt dat de tijd die aan activatie besteed wordt, vaak te kort is en zouden er meer sessies aan elk element besteed moeten worden. Ook meer aandacht voor het betrekken van de ouders en terugvalpreventie is belangrijk. De interventies die de kernelementen voldoende in zich hebben, zouden in de praktijk vooral moeten worden ingezet.

Het is belangrijk om professionals bewust te maken van deze kernelementen en de kwaliteit van de zorg te verbeteren door deze elementen aan te bieden én op te nemen in de (post-)initële opleidingen. Vooral bij jeugdigen met milde en matig ernstige klachten is vooral implementatie van bestaande effectieve methodes belangrijk. Voor de jongeren met ernstiger klachten en comorbide

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In de periode juni 2016 - juni 2017 zijn de deeltrajecten van dit project opgezet en is een start met de uitvoering gemaakt. De vier trajecten zijn:

Traject 1: Aanvullen en optimaliseren van de informatie uit fase 1, namelijk:

a) het onderzoeken van alle behandelprotocollen en handleidingen via de nieuwe taxonomie en nagaan wat voor elementen voorkomen in de protocollen (dit is gedaan in fase 1) en hoe de elementen erin voorkomen;

b) uitbreiden van de professional survey door een groter aantal professionals in diverse werksettingen te ondervragen over hun ervaringen ten aanzien van de bruikbaarheid van de verschillende programma’s in de praktijk.

Traject 2: Mega-analyses: secundaire analyses op bestaande data door uitvoering van meta-regressies en mega-analyses. Hiermee krijgen we zicht op welke elementen in een protocol zorgen voor meer effectiviteit, wanneer deze werkzaam zijn en voor/door wie.

Traject 3: Twee microtrials (angst en depressie) en een klinische trial

Deze serie trials geeft inzicht in de vorm en dosering van behandelelementen gericht op angst en depressie. Bij de trial angst betreft het exposurebehandeling, en de additionele effectiviteit van cognitieve herstructurering en ontspanningsoefeningen. Bij de trial depressie betreft het cognitieve herstructurering, gedragsactivatie, probleemoplossingsvaardigheden en ontspanningsoefeningen.

Traject 4: Kosteneffectiviteit

De kosten en baten van de in fase 1 geïnventariseerde programma’s worden geïnventariseerd. Er wordt inzicht gekregen in de kosten effectiviteit van de elementen in de microtrials.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Resultaten Traject 1: Aanvullen en optimaliseren van de informatie uit fase 1

- Compleet overzicht is gemaakt van alle in fase 1 geïnventariseerde programma’s, gecodeerd volgens de aangepaste taxonomie en aangevuld met kwalitatieve aspecten ten aanzien van de inhoudelijke kenmerken.

- Overzicht van de bruikbaarheid in de praktijk van de in fase 1 geïnventariseerde programma’s is gaande.

 

Resultaten Traject 2: Mega-analyses

Depressie:

- (Dubbele) dataselectie, extractie en quality assessment is compleet

- Behandelprotocollen zijn opgevraagd, codering in volle gang

- Contact is gelegd met internationale partners is gelegd

Angst:

- Dubbele dataselectie compleet

- Dubbele data-extractie en quality assessment in volle gang

- Contact is gelegd met bestaand internationaal consortium is in volle gang

 

Resultaten Traject 3: 2 Microtrials en een klinische trial

De modules voor de microtrial depressie zijn gereed en de therapeuten zijn getraind, verklaring van METC is ontvangen

De modules voor de microtrial angst zijn in ontwikkeling, verklaring van METC verwacht in juni.

 

Resultaten Traject 4: Kosteneffecitviteit

Inventarisatie van de vragenlijsten is uitgevoerd i.s.m. andere consortiumpartners.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Van alle psychische problemen bij jeugd komen angst en depressie het meest voor. Deze problemen hebben veel nadelige consequenties voor het welbevinden op korte en lange termijn en leiden tot hoge kosten in de gezondheidszorg. Goede behandeling (zowel preventief als curatief) is noodzakelijk, maar het aantal interventieprogramma’s is de afgelopen jaren de pan uit gerezen. Dit vraagt om een kritische evaluatie van de inhoud, de kwaliteit, de mate van overlap en onderscheidend vermogen van de beschikbare programma’s en hun toepasbaarheid binnen de hulpverleningspraktijk. Het is uiteindelijk de bedoeling het aantal programma’s terug te brengen naar een set die bewezen effectief is, aanvullend is en niet (volledig) overlappend, en bruikbaar is binnen de Nederlandse jeugdhulp. In fase 1 is reeds een start gemaakt met deze evaluatie. De in Nederland beschikbare en de relevante buitenlandse programma’s zijn in kaart gebracht en geanalyseerd op o.a. structuur- en inhoudskenmerken. Ook is de stand van zaken in de wetenschap over angst en depressie behandeling in kaart gebracht en is er gekeken naar kosteneffectiviteit.

 

Hieruit is gebleken dat er inderdaad een groot aantal angst en depressie programma’s is (N=58) die veel overeenkomstige factoren bevatten, zowel op inhoud (dwz dezelfde behandelelementen) als op structuur (bijv. dezelfde doelgroepen). Veel van deze programma’s laten positieve resultaten zien, maar de kwaliteit van het onderzoek laat vaak te wensen over. Ook in de wetenschappelijke literatuur is de afgelopen decennia veel herhaling terug te zien in type studies. De meeste studies hebben gekeken naar of programma’s voor angst en depressie bij jeugdigen in zijn totaliteit werken, en weinig voor WIE ze werken en niet tot nauwelijks WAT er precies werkt en HOE. Ook naar kosteneffectiviteit is nauwelijks onderzoek gedaan. Er is momenteel onvoldoende kennis om met voldoende empirische evidentie adviezen te geven voor indikken. Het overzicht van al deze bevindingen in fase 1 biedt wel een uitstekend beginpunt om de jeugdhulp in Nederland een boost te geven tot kwaliteitsverbetering ten aanzien van angst- en depressiebehandeling. We doen dit in fase 2 door met vier parallelle trajecten precies in te steken op de hiaten die in fase 1 geconstateerd zijn. Met Traject 1 (Aanvullen en optimaliseren van fase 1) beogen we het overzicht van de programma’s te completeren door van alle in fase 1 geïnventariseerde programma’s informatie te verzamelen over HOE de verschillende elementen precies vorm krijgen en hoe ze in de praktijk gebruikt worden. Met Traject 2 (Secundaire analyses van bestaande data uit fase 1) willen we datasets opvragen, zowel Nederlandse als internationaal, om nadere analyses te doen gericht op het ontdekken van de effectiviteit voor verschillende doelgroepen (voor WIE), cliënt- en hulpverlenerkenmerken (door WIE), werkzame elementen (WAT) en factoren die daarmee samenhangen zoals dosering en volgorde (HOE). In Traject 3 voeren we een aantal microtrials uit waarbij we doelgericht elementen onderzoeken op hun effectiviteit (WAT), zowel losstaand als in relatie tot elkaar, en betreffende dosering en sequentie (HOE). We gebruiken hierbij microtrials (kleine experimentele designs) die we inzetten voor onderzoek naar werkzame elementen bij subklinische angst en depressie (geïndiceerde preventie). Daarnaast onderzoeken we ook bij klinische doelgroepen welke elementen werkzaam zijn. In Traject 4 brengen we de kosten in kaart, en komen we tot een indicatie voor de kosteneffectiviteit van verschillende programma’s/elementen.

 

Met de kennis uit de Trajecten 2, 3 en 4 beogen we niet alleen een betere evaluatie uit te voeren van de programma’s voor angst en depressie uit Traject 1, maar ook concretere adviezen te geven over de manier waarop ingedikt moet worden. De werkzame elementen worden voorzien van een duidelijke techniekbeschrijving, waardoor ze direct bruikbaar zijn voor de hulpverleningspraktijk, scholing en training en voor toekomstig onderzoek. In overleg met NJi, ZONMW en andere consortia wordt bekeken hoe deze k

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website