Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De hoofdvraag was of de in de jeugdgezondheidszorg toegepaste vragenlijsten voor het signaleren van (risico’s op) psychosociale problemen kunnen worden terug gebracht.

 

Concreet was de vraag of er op bepaalde leeftijd momenten in de toekomst geen vragenlijst meer hoeft te worden afgenomen.

 

De resultaten van dit onderzoek geven GEEN aanleiding om in de toekomst op een bepaalde leeftijd geen vragenlijst voor het signaleren van (risico’s op) psychosociale problemen af te nemen.

 

Als in de toekomst de huidige Jeugdgezondheidszorg Richtlijn Psychosociale problemen gaat worden herzien, dan bieden de resultaten van dit onderzoek veel relevante informatie die kan worden gebruikt om te beslissen om er aanpassingen nodig zijn in de richtlijn. Bedacht moet worden dat naast het signaleren van (risico’s op) psychosociale problemen via vragenlijsten ook andere overwegingen van belang zijn. Voorbeelden daarvan zijn: (a) zijn er geschikte en effectieve interventies beschikbaar wanneer er (risico’s op) psychosociale problemen worden vastgesteld, en worden deze interventies toegepast indien nodig; (b) wanneer (risico’s op) psychosociale problemen niet (mede) via een vragenlijst worden vastgesteld, hoe vaak en wanneer worden deze dan later op een ander moment vastgesteld, en hoe nadelig is het dat een interventie dan later begint (of helemaal niet wordt toegepast).

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Belangrijke informatie die naar voren komt uit dit onderzoek is:

 

Afgaand op het percentage kinderen dat een score heeft die kan worden gecategoriseerd als zijnde risico op psychosociale problematiek per leeftijd:

- Vooral bij de metingen op de leeftijden 24 en 45 maanden worden veel kinderen met een verhoogde score opgespoord. Maar ouders geven relatief vaak aan dat ze met name op 24 maanden een vragenlijst nog niet relevant vinden, omdat een kind dan nog zo kan veranderen. Op latere leeftijd heeft het kind iets meer een persoonlijkheid ontwikkeld, waardoor de ouder meer het idee heeft dat een vragenlijst van toepassing kan zijn.

- Op het Voortgezet Onderwijs (VO3) is het zo dat (in vergelijking met eerdere leeftijdmomenten) het kleinste aantal kinderen met een verhoogde score wordt opgespoord. Hier speelt mee dat leerlingen de vragenlijst op het VO zelf invullen, en wellicht vanwege de puberteit minder geneigd zijn hun gedachten en problemen te delen, terwijl juist de puberteit een onstuimige periode is, waar veel problemen kunnen spelen.

 

Afgaand op de trajecten (opeenvolgende afname van de vragenlijsten):

- De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding op een bepaald meetmoment eruit te laten. Ongeveer 40-50% van de kinderen met een verhoogde score voor psychosociale problemen dat op een bepaalde leeftijd wordt gevonden, herstelt op het volgende meetpunt (het is echter onduidelijk of dat komt door ingezette hulp of dat er sprake is van spontaan herstel). Een belangrijk feit is dat op elke leeftijd (elk meetmoment) 50-70% van alle kinderen met een verhoogde score op dat moment een "nieuw" kind is. De hoogste percentages nieuwe kinderen zijn te vinden op het Voortgezet Onderwijs. Hoewel er dus procentueel weinig kinderen met een verhoogde score worden opgespoord in het VO, is 70% van deze kinderen wel nieuw, en nog niet op een vorig meetmoment naar voren gekomen met een verhoogde score.

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Psychosociale problemen komen veel voor bij kinderen. Er wordt geschat dat 7,7% van de Nederlandse kinderen op de basisschool last hebben van externaliserend probleemgedrag (driftbuien, woede aanvallen, agressief gedrag) en dat 12,2% kampt met internaliserend probleemgedrag (angstig zijn of laag zelfbeeld). Deze problemen gezamenlijk, worden ook wel psychosociale problemen genoemd. Signaleringsvragenlijsten zijn een goed hulpmiddel om psychosociale problemen vroegtijdig op te sporen. De vragenlijsten maken het signaleren efficiënter en het vervolgtraject effectiever. Ondanks het voordeel, zitten er ook nadelen aan het gebruik van deze signaleringsvragenlijsten. Zo geeft een deel van de ouders en hulpverleners aan dat ze de vragenlijsten als belastend ervaren. Momenteel is het echter onduidelijk of het terugdringen van het gebruik van deze signaleringsvragenlijsten in de jeugdgezondheidszorg mogelijk is, of dat er veel meer kinderen met (risico op) psychosociale problemen worden gemist door de JGZ, wanneer deze vragenlijsten minder vaak worden afgenomen. Tevens is onbekend wat de voorkeuren van ouders en professionals zijn ten aanzien van het gebruik van deze vragenlijsten, als onderdeel van de monitoring van groei en ontwikkeling van kinderen binnen de JGZ.

 

Het doel van dit project is om een advies op te stellen over het gebruik van de signaleringsvragenlijsten (de SDQ – Strengths and Difficulties Questionnaire; BITSEA – Brief Infant Toddler Social Emotional Assessment) voor kinderen in de leeftijd van 24 maanden tot en met het voortgezet onderwijs. Hierbij zal gekeken worden of de afnamefrequentie van deze vragenlijsten teruggebracht kan worden, terwijl kinderen met (risico op) psychosociale problemen nog steeds worden opgespoord. De voorkeuren van ouders, professionals en kinderen zelf wordt hier in mee genomen.

 

Dit project bestaat uit 3 delen met een looptijd van 36 maanden. Deel I bestaat uit een longitudinaal onderzoek van meerdere cohort studies, waarin bepaald wordt of de afnamefrequentie verantwoord teruggebracht kan worden. Er wordt gebruik gemaakt van nog nieuw te verzamelen data, en reeds bestaande data van diverse JGZ-organisaties en GGD’en. In totaal zal voor elke groep (voorschoolse periode, basisschool periode, overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs en voortgezet onderwijs periode) longitudinale data beschikbaar zijn. In Deel II worden de voorkeuren van ouders, professionals en kinderen vastgesteld door middel van focusgroepen. De nadruk zal hier liggen op hun voorkeur ten aanzien van het gebruik van deze vragenlijsten binnen de jeugdgezondheidszorg. In Deel III vindt ten slotte de integratie van Deel I en Deel II plaats, wat zal leiden tot een advies over het terugdringen van het gebruik van de signaleringsvragenlijsten in de JGZ.

 

Het terugdringen van de afnamefrequentie, en het beter aansluiten op de voorkeuren van ouders en professionals kan leiden tot een hogere tevredenheid bij zowel professionals als ouders over de JGZ en het gebruik van signaleringsvragenlijsten. Bovendien zou het terugdringen van de vragenlijsten ook kunnen leiden tot een verbetering van de manier waarop psychosociale problemen in de JGZ worden gesignaleerd en tot een tijds- en kostenbesparing voor JGZ-organisaties.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Het project is van start gegaan op 1 juli 2014. Binnen het project wordt in deel 1 op drie wijzen kwantitatieve data verzameld rondom het gebruik van signaleringsinstrumenten in de JGZ.

Ten eerste bestaande data van GGD-en en JGZ organisaties: GGD Zuid Holland Zuid, CJG Rijnmond en de Gemeente Rotterdam. Bestaande data met betrekking tot de signaleringsinstrumenten BITSEA en SDQ op verschillende leeftijdsmomenten is bij deze partijen door de onderzoekers geïnventariseerd. Bruikbare data is uitgewisseld.

Ten tweede, nieuwe dataverzameling middels een follow-up voor de deelnemers die deelnamen aan een reeds afgerond project naar validatie van de BITSEA (ZonMw project nummer 157002011). In dit project was op de leeftijd van het kind van 24 en 36 maanden de BITSEA afgenomen. De ouders die deelnamen aan dit project zijn opnieuw benaderd, hun kinderen hadden nu de leeftijd van 5-6 jaar. In totaal zijn er 1877 follow-up vragenlijsten verstuurd, waarvan 155 niet bezorgd konden worden vanwege een foutief (email) adres of verhuizing. In totaal zijn 690 ingevulde vragenlijsten, inclusief toestemmingsformulier, retour ontvangen (40,1%).

Ten derde, nieuwe data verzameling middels een 3-jarig follow-up onderzoek. Deze dataverzameling vindt plaats op drie momenten, als het kind 24, 36 en 45 maanden oud is. De inclusie van deelnemers voor deze dataverzameling (op de leeftijd van het kind van 24 maanden) liep van november 2014 tot juli 2015 in samenwerking met het CJG Rijnmond. Alle ouders die voor het 2-jarig contactmoment met het consultatiebureau werden opgeroepen, werden uitgenodigd om deel te nemen. In totaal zijn er 9810 ouders uitgenodigd, hiervan zijn 7799 ouders verschenen op het 2-jarig contactmoment (79,5%). In totaal zijn 2273 ingevulde vragenlijsten, inclusief toestemmingsformulier, retour ontvangen (29,1%). De vervolgmeting op 36 maanden vindt plaats op de leeftijd van het kind van 36 maanden en op 45 maanden.

 

Begin 2016 zullen focusgroepen met ouders, leerlingen, leerkrachten en professionals die allen te maken hebben met de signaleringsvragenlijsten (BITSEA en SDQ) worden uitgevoerd. In de focusgroepen zal worden ingegaan op de preferenties van ouders, professionals, leerkrachten en leerlingen ten aanzien van het gebruik van signaleringsvragenlijsten.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Psychosociale problemen komen veel voor bij kinderen. Geschat wordt dat ongeveer 7,7% van de Nederlandse kinderen op de basisschool een score hebben in de klinische range voor externaliserend probleemgedrag en 12,2% voor internaliserend gedrag. Signaleringsvragenlijsten zijn een goed hulpmiddel bij het vroegtijdig opsporen van psychosociale problemen. Zij maken het monitoren en signaleren van deze problemen efficiënter en het vervolgtraject effectiever.

 

De recente handreiking van het Nederlands Centrum voor Jeugdgezondheid adviseert om tijdens de contactmomenten in de jeugdgezondheidszorg (JGZ) gevalideerde signaleringsvragenlijsten te gebruiken. Ondanks dit advies en de voordelen die het gebruik van signaleringsvragenlijsten heeft, zitten er ook nadelen aan het gebruik van deze vragenlijsten. Zo is het bekend dat een deel van de ouders en JGZ professionals de vragenlijsten als belastend ervaart. Van der Burg (33000 XVI nr 155) stelt bovendien in haar motie dat het verzamelen van informatie met behulp van vragenlijsten in de JGZ niet standaard nodig is.

Momenteel is echter onduidelijk of het terugbrengen van het gebruik van signaleringsvragenlijsten in de JGZ mogelijk is, of dat wanneer er minder vragenlijsten ingezet worden er veel meer kinderen met (risico op) psychosociale problemen worden gemist door de JGZ. Daarnaast is nog onbekend welke preferenties ouders en professionals hebben ten aanzien van gebruik van deze vragenlijsten als onderdeel van integrale monitoring van groei en ontwikkeling van het kind.

 

De doelstelling van dit project is het opstellen van een advies voor een protocol betreffende het gebruik van psychosociale signaleringsvragenlijsten voor kinderen in de leeftijd van 24 maanden tot en met het voortgezet onderwijs. Hierbij zal gekeken worden of de afnamefrequentie van deze vragenlijsten verantwoord teruggebracht kan worden, terwijl kinderen met (risico op) psychosociale problemen nog steeds effectief worden opgespoord. Het perspectief van ouders, kinderen en professionals wordt betrokken bij het opstellen van het advies.

 

De specifieke vraagstellingen zijn:

1. Worden door het gebruik van de BITSEA en SDQ op opeenvolgende leeftijden (BITSEA 24 maanden, SDQ 36, 45 maanden, basisschool- en voortgezet onderwijsleeftijd) nieuwe kinderen met (risico op) psychosociale problemen opgespoord of kan met minder vragenlijsten even effectief opgespoord worden? Hierbij zal ook gekeken worden naar demografische en gezinskenmerken.

2. Wat zijn de preferenties van ouders, kinderen en professionals omtrent het gebruik van signaleringsvragenlijsten in de JGZ?

3. Hoe kunnen deze vragenlijsten optimaal worden teruggebracht en ingebed in de integrale monitoring van groei en ontwikkeling door de JGZ, rekening houdend met de longitudinale onderzoeksresultaten en de preferenties van ouders, kinderen en professionals?

Aanvullend zal gekeken worden naar het gebruik van de leerkrachtversie van de SDQ. De leerkrachtversie van de vragenlijst zou meerwaarde kunnen hebben bovenop of in plaats van de oudervragenlijst.

 

Dit project bestaat uit 3 delen (looptijd 36 maanden). Deel 1 betreft een longitudinaal onderzoek, bestaande uit meerdere cohort studies, waarin gekeken wordt of de afnamefrequentie van de vragenlijsten verantwoord teruggebracht kan worden. Er wordt gebruik gemaakt van zowel nieuw te verzamelen data als bestaande data van een breed consortium van JGZ instellingen en GGD-en. Nieuwe longitudinale data zullen verzameld worden in het werkgebied van CJG Rijnmond. In totaal zal voor elke groep (voorschoolse leeftijd, basisschool periode, combinatie basisschool en voortgezet onderwijs, voortgezet onderwijs) longitudinale data beschikbaar gemaakt worden. Deel 2 bekijkt wat de preferenties van ouders, kinderen, leerkrachten en professionals zijn met betrekking tot het gebruik van signaleringsvragenlijsten in de JGZ en hoe de vragenlijsten optimaal kunnen worden ingezet in deze setting. Dit zal eveneens gebeuren aan de hand van bestaande en nieuw te verzamelen data en focusgroepen met zowel ouders, kinderen, JGZ profession

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website