Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De Universiteit van Amsterdam heeft onderzoek gedaan naar de langetermijneffecten van de JIM (Jouw Ingebrachte Mentor). Deze methode in de jeugdhulp, waarbij samengewerkt wordt met natuurlijke mentoren uit het sociale netwerk rondom een jongere, blijkt ook op de lange termijn effectief. In de meeste gevallen zijn dreigende uithuisplaatsingen door deze methode afgewend, waardoor jongeren thuis of in hun vertrouwde omgeving konden blijven wonen. Het onderzoek geeft een goed beeld van de verschillende ervaringen van de JIMs nadat de hulpverlening is afgerond.Eerder onderzoek laat de gunstige effecten van de JIM-aanpak op de korte termijn zien. Zo blijkt dat volwassenen buiten het gezin, met wie jongeren een goede, sterke band en vertrouwensrelatie hebben (i.e., natuurlijke mentoren), een positief effect hebben op het algemeen welbevinden, sociaal-emotioneel functioneren, fysieke gezondheid, schoolsucces en psychische problemen van de jongeren. Het inzicht dat deze positieve effecten het gevolg zijn van de spontaan ontstane relaties tussen jongeren en de volwassenen om hen heen heeft destijds geleid tot de JIM-benadering. Een JIM is niet alleen een vertrouwensfiguur voor de jongere, maar ook zijn of haar ambassadeur richting ouders en/of professionals. Eind 2013 is met deze benadering gestart als alternatief voor uithuisplaatsing.

 

Het onderzoek

Hoe gaat het met JIMs en jongeren een aantal maanden of jaren na afronding van de hulp? En hoe kijken JIMs terug op het hulpverleningstraject? Deze vragen staan centraal in dit onderzoek. Daarbij ligt de focus op de volgende domeinen:

Betekenisgeving: wat heeft het betekend JIM te zijn en hoe is er invulling gegeven aan het mentorschap?

Relatiekwaliteit: is de relatiekwaliteit tussen de jongere, JIM en gezinsleden veranderd door het JIM traject?

Ondersteuning: hoe is de ondersteuning vanuit de hulpverlening ervaren?

Duurzaamheid: is er na afronding van het traject nog contact met de jongere? En hoe gaat het nu met de jongere?

 

In het huidige onderzoek zijn in totaal zijn 24 (voormalig) JIMs geïnterviewd uit de regio Amsterdam, Amersfoort en Veenendaal. Dit onderzoek geeft een goed beeld van de verschillende ervaringen van de JIMs, nadat de hulpverlening is afgerond. Het merendeel van de JIMs houdt contact met de jongere na afloop van het hulpverleningstraject en in de meeste gevallen is de dreigende uithuisplaatsing afgewend en woont de jongere thuis of in zijn vertrouwde omgeving. Daarmee is het werken met een JIM een positieve en veelbelovende aanpak in de jeugdhulp, mits deze door alle betrokken partijen op waarde wordt geschat.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In het huidige onderzoek zijn in totaal zijn 24 (voormalig) JIMs geïnterviewd (14 vrouw, 10 man), uit de regio Amsterdam, Amersfoort en Veenendaal. De leeftijden van de JIMs lopen uiteen van 23 tot 78 jaar (M = 50, SD = 13,7). Gemiddeld kennen de JIMs de jongeren 9 jaar en 6 maanden (SD = 5,1), familieleden niet meegerekend. De hulpverleningstrajecten zijn 6 maanden tot en met 4 jaar geleden afgesloten (M = 2,3, SD = 1,12).

Ten aanzien van de betekenisgeving, ziet het merendeel van de participanten de JIM niet als een rol, maar als een natuurlijk proces. En aantal JIMs neemt een andere rol of een andere houding aan tijdens het traject ten opzichte van de rol die ze hiervoor hadden in het leven van de jongere. Vooral het gevoel iets bereikt te hebben en het gevoel invloed te hebben op de jongere worden als waardevol beschouwd. Met betrekking tot de relatiekwaliteit ervaart de meerderheid van de JIMs geen verandering in de kwaliteit van de relatie met de jongere, een aantal JIMs noemde zelfs een positieve verandering in de kwaliteit van de relatie met de jongere en sommigen gaven aan meer spanning en conflict te ervaren, wat niet direct nadelig hoeft te zijn uitgaande van het belang van de jongere.

Over het algemeen zijn de JIMs positief over de ondersteuning vanuit de hulpverlening. Het belangrijkste kritiekpunt is het tekortschieten in het communiceren van de JIM-positie aan andere organisaties en het ontbreken van contact met andere JIMs. Daarnaast geven sommige JIMs aan dat ze erg veel verantwoordelijkheid krijgen, terwijl anderen juist aangeven niet te worden meegenomen in cruciale besluitvorming. Na afronding van het traject heeft bijna niemand meer behoefte (gehad) aan

contact met de hulpverlening. Van de JIMs heeft 75% nog contact met de jongere na afloop van het traject, waarbij de frequentie van het contact over het algemeen afneemt na afronding van het traject.

De overige JIMs hebben geen contact meer, maar staan nog wel open voor contact. In meer dan 70% van de situaties is tijdens het hulpverleningstraject een uithuisplaatsing voorkomen, enkele jongeren

wonen inmiddels weer thuis of bij een vertrouwd iemand uit de omgeving waardoor het percentage is gestegen naar 80%. In de trajecten waar wel een uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden, geven de JIMs aan dat dit voor de jongere beter is, omdat de situatie thuis onhoudbaar was.

Advies: in het keuzeproces van de jongere voor een JIM en tijdens de uiteindelijke samenwerking met de JIM dienen professionals oog te hebben voor eventuele problemen die het proces kan oproepen, waaronder spanning en conflict tussen actoren en soms een verslechtering in de

natuurlijke mentorrelatie door de formalisering ervan (de natuurlijke paradox). Daarnaast: organiseer ontmoetingen en stimuleer uitwisseling tussen JIMs, ook als nazorg om het mentorschap duurzaam te laten zijn. Tot slot: hoe verschillend er wordt samengewerkt met deze vertrouwenspersonen uit het eigen netwerk, duidt op willekeur. Daarom dient verkend te worden hoe een verankering in de wet van de rechtspositie van informele mentoren ondersteunend kan zijn aan de universele Rechten van het Kind. Inspirerende voorbeelden hiervan zien we in België en Denemarken, waar kinderen als gevolg van wetgeving, het recht hebben om mensen uit de eigen omgeving mee te nemen bij belangrijke besluitvorming voor raad en advies. Gezien de recente rapporten in Nederland (De Winter en Samson) over (seksueel) geweld in de jeugdzorg en de omstandigheid dat passende zorg niet altijd beschikbaar is, bijvoorbeeld door wachtlijstproblematiek, lijkt onderzoek naar een versteviging van de rechtspositie van de jeugdige die te maken krijgt met (soms gedwongen) jeugdhulp opportuun.

Dit onderzoek geeft een goed beeld van de verschillende ervaringen van de JIMs, nadat de hulpverlening is afgerond. Het merendeel van de JIMs houdt contact met de jongere na afloop van het hulpverleningstraject en in de meeste gevallen is de dreigende uithuisplaatsing afgewend en woont de

jongere thuis of in zijn vertrouwde omgeving. Daarmee is het werken met een JIM een positieve en veelbelovende aanpak in de jeugdhulp, mits deze door alle betrokken partijen op waarde wordt geschat.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Een recente overzichtsstudie heeft aangetoond dat volwassenen buiten het gezin met wie jongeren een goede, sterke band en vertrouwensrelatie hebben (i.e., natuurlijke mentoren) een positief effect hebben op hun algemeen welbevinden, sociaal-emotioneel functioneren, fysieke gezondheid, schoolsucces en psychische problemen (Van Dam et al., 2018). Dit effect is ongeacht de risico’s waaraan de jongeren blootgesteld zijn of waren in hun leven en is vergelijkbaar met de resultaten van geïndiceerde professionele zorg en behandeling. Het inzicht dat deze positieve effecten aanwezig zijn in de spontaan ontstane relaties tussen jongeren en de volwassenen om hen heen heeft tot de JIM-benadering geleid (Van Dam & Verhulst, 2016). In deze benadering kiezen jongeren een natuurlijke mentor uit hun omgeving: een JIM. Deze JIM is vertrouwensfiguur voor de jongere en zijn of haar ambassadeur richting ouders en/of professionals.

Eind 2013 is gestart met deze benadering als alternatief voor uithuisplaatsing. Inmiddels wordt hier bij ruim 20 instellingen mee gewerkt, met verschillende toepassingen (bijvoorbeeld onderwijs, pleegzorg en jeugdzorgplus) en met de insteek om de duur van residentiele plaatsingen te bekorten (Ter Beek, van Baarle, de Valk, & van Veluw, 2018) en terugval te voorkomen (Koster et al., 2016). Hoewel gewezen kan worden op gunstige effecten op de korte termijn (Van Dam et al., 2017), ontbreekt onderzoek naar de lange termijn effecten van deze benadering, zowel nationaal als internationaal. Daarnaast ontbreekt onderzoek over jongeren bij wie de JIM-benadering (nog) niet werkt. Met name het lange termijn onderzoek kan laten zien voor wie en onder welke omstandigheden de JIM-benadering het meest succesvol is, waardoor de aanpak verder versterkt kan worden om zoveel mogelijk jongeren en gezinnen ervan te laten profiteren. Dit onderzoek is hard nodig, omdat de JIM-benadering reeds op grote schaal wordt toegepast.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website