Projectomschrijving

Samenvatting na afronding

In Nederland worden ruim een half miljoen mensen met bloedverdunners – ook wel antistollingsmiddelen genoemd – behandeld, bijvoorbeeld na een trombose of longembolie of bij hartritmestoornissen. Voorheen ging dat uitsluitend met vitamine K antagonisten, waarvoor mensen bij de trombosedienst gecontroleerd moesten worden. Sinds 2012 zijn er nieuwe antistollingsmiddelen (DOAC’s). De belangrijkste bijwerking van antistollingsmiddelen is een verhoogde kans op een (inwendige) bloeding, zoals een hersenbloeding. In geval van een levensbedreigende bloeding is het direct opheffen van de werking van het antistollingsmiddel een belangrijk onderdeel van de behandeling. Er was nog maar weinig bekend hoe het afloopt met patiënten met een ernstige bloeding en wat de beste behandeling was. Een infuus met stollingsfactoren (protrombinecomplex concentraat; PCC) in een hoge dosis leek de bloedstolling, gemeten in bloed, te herstellen.

Onderzoek

Dit onderzoek bestond uit drie projecten met als doel de behandeling van een bloeding of spoedingrepen bij patiënten die DOAC’s gebruiken te verbeteren en de rol van PCC hierin te verduidelijken.
De eerste studie onderzocht de optimale dosis van PCC die nodig is om de effecten van DOAC’s op te heffen. Het tweede onderdeel was een studie naar de afloop en behandeling van 123 patiënten die werden behandeld met een DOAC en werden opgenomen voor een bloeding of een spoedingreep. Bij een deel van de mensen die behandeld werd met PCC werden extra stollingsbloedtesten verricht. Het laatste project betrof een statusonderzoek onder 100 patiënten die behandeld werden met de vitamine K antagonisten en die werden opgenomen voor ernstige bloeding.

Resultaten

Deze studie heeft de volgende resultaten opgeleverd:

  1. Alleen door een hoge dosis PCC, en niet een lage of intermediaire dosis, worden de effecten van de DOAC’s rivaroxaban en apixaban op de stollingsbloedtesten opgeheven.
  2. Indien 100 mensen die behandeld worden met antistollingsmiddelen een ernstige bloeding doormaken, overlijden er 20 tot 22; ongeveer 1 tot 5 mensen ontwikkelen binnen 30 dagen na de bloeding trombose en bij 65 tot 75 mensen was de bloedstolling goed tijdens de behandeling.
  3. Dit gold zowel voor mensen die:
    a. de DOAC’s apixaban, edoxaban of rivaroxaban gebruiken en in het kader van de bloeding werden behandeld met PCC;
    b. de DOAC dabigatran etexilate gebruiken en werden behandeld met het specifieke antidabigatranmiddel idarucizumab;
    c. vitamine K antagonisten gebruiken en werden behandeld met PCC.


Richtlijn

Van de onderzoeksprojecten uit het ZonMw programma Goed Gebruik Geneesmiddelen (GGG) is inzichtelijk gemaakt of zij aansluiten bij de richtlijnen en/of modules in de FMS Richtlijnendatabase. Dit onderzoek sluit aan op de volgende richtlijn in de FMS Richtlijnendatabase.


Samenvatting bij start

Sinds 2011 is een nieuwe generatie antistollingsmiddelen beschikbaar gekomen voor de behandeling van patiënten met trombose en met de hartritmestoornis boezemfibrilleren. Bij patiënten met een ernstige bloeding is het wenselijk om het antistollende effect van deze middelen zo snel mogelijk op te heffen. Helaas bestaan hiervoor geen specifieke geneesmiddelen. In eerder onderzoek bij dieren en gezonde vrijwilligers werd gevonden dat een hoge dosis van een concentraat bestaande uit 4 stollingsfactoren (PCC) de werking van deze nieuwe antistollingsmiddelen mogelijk kan opheffen.

In dit project wordt onderzocht of PCC echt nuttig is wanneer patiënten tijdens het gebruik van nieuwe antistollingsmiddelen een ernstige bloeding krijgen. Eerst wordt in gezonde vrijwilligers getracht de optimale dosis PCC vast te stellen aan de hand van stollingstesten. Vervolgens wordt in een aantal Nederlandse ziekenhuizen het effect bij patiënten die daadwerkelijk een ernstige bloeding hebben bestudeerd.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website