Verslag startbijeenkomst SEENEZ

In de Eenhoorn te Amersfoort vond op 28 oktober jl. de aftrap plaats van SEENEZ. Dat staat voor Stimuleer Effectieve en Elimineer Niet-Effectieve Zorg. Onder deze vlag werken de Federatie Medisch Specialisten, diverse medisch wetenschappelijke verenigingen, ZonMw en Zorgverzekeraars Nederland samen aan de kwaliteit (en kosten) van de Nederlandse gezondheidszorg door reeds toegepaste vormen van zorg kritisch onder de loep te nemen.

Bestaande zorg evalueren

Hannie Bonink (ZonMw) memoreert in haar welkomstwoord dat SEENEZ het resultaat is van de samenwerking van veel partijen. De zes projecten die vandaag officieel van start gaan zijn aangedragen vanuit en geprioriteerd door de aangesloten wetenschappelijke verenigingen (NVOG, NVN, NVA, NVK, KNO en NOV). ‘Randvoorwaarde voor honorering van de projecten was dat ze bestaande vormen van zorg evalueren waarvoor de wetenschappelijke evidentie ontbreekt.’ Andere uitgangspunten zijn dat er sprake is van samenwerking tussen professionals, de beroepsvereniging, onderzoekers en patiënten; dat er sprake is van cofinanciering door een zorgverzekeraar, dat er na driekwart van de looptijd van het project resultaten zichtbaar worden en dat in het laatste kwart van de looptijd zichtbaar gewerkt wordt aan de implementatie van die resultaten.

Waarom zorgevaluatie?

Esther Verstraete (neuroloog, Rijnstate Ziekenhuis Arnhem) schetst aansluitend de aanleiding tot SEENEZ en de nu gestarte onderzoeksprojecten. ‘Voor pakweg de helft van alle verrichtingen in de zorg is geen of weinig wetenschappelijk bewijs dat dit de meest effectieve aanpak en/of de meest kosteneffectieve aanpak is.’ En dat terwijl het beheersen van de zorgkosten al jaren hoog op de (politieke) agenda staat. ‘Doelmatige zorg betekent niet alleen het stellen van de vraag “ Moet alles wat kan?”, die meestal betrekking heeft op nieuwe, dure vormen van zorg, maar vooral ook het stellen van de vraag “Moet alles wat we doen?”. Dat laatste betekent een kritische blik naar de reeds bestaande vormen van zorg. Hoog volume, laag complexe zorg, zorg voor de “gewone” patiënt.’ Een inventarisatie laat zien dat met een eenmalige onderzoeksinvestering van 2,6 miljoen euro jaarlijks 37 miljoen euro valt te besparen. Met de start van de zes projecten is de eerste aanzet hiertoe gezet, stelt Verstraete. ‘Maar de zorgevaluatie staat nog in de kinderschoenen.’

Het opzetten van een kennisagenda

Hierna gaan drie projectleiders aan de hand van de ervaringen bij hun eigen project in op de obstakels die om de hoek (kunnen) komen kijken bij het opzetten, uitvoeren en implementeren van een SEENEZ-project. Christa Boer (hoogleraar onderzoek perioperatieve zorg) bijt het spits af. Zij vertelt dat de Nederlandse Vereniging Voor Anesthesiologie ten tijde van de “call” voor SEENEZ-projecten nog een compleet lege kennisagenda had. ‘Een oproep per brief aan de leden om kennishiaten te signaleren leverde weinig reacties op. Het begrip kennishiaat riep vragen op. En de enkele hiaten die werden aangedragen leenden zich niet voor onderzoek volgens de criteria van SEENEZ. Het betrof geen bestaande zorg en/of de doelmatigheid en effectiviteit ervan waren niet te onderzoeken.’ Uiteindelijk schreef Boer met een kleine groep collega’s een project dat aan alle eisen voldeed. ‘Toen dat door ZonMw gehonoreerd was en we ook nog eens genomineerd werden voor de Value Based Health Care Prize 2016 , steeg het enthousiasme onder de beroepsgenoten snel.’

Onderzoek doen aan bestaande zorg is lastig

Aan de hand van “zijn” project  - Wat is de beste behandeling voor mensen boven de 65 jaar met een gebroken pols: operatie of gips? – legt Dirk ter Meulen (arts-onderzoeker orthopedie, OLVG Amsterdam) vervolgens uit waarom onderzoek doen aan bestaande zorg soms heel lastig is. ‘De randomized controlled trial (RTC), wetenschappelijk gezien de Rolls Royce van het onderzoek – is bij het vergelijken van reeds bestaande vormen van zorg, in ieder geval in de chirurgie, lastig te organiseren. Artsen gebruiken één van beide vormen al (lang) en zijn overtuigd van de werking/het nut ervan. Daardoor zijn zij niet geneigd hun patiënten de andere vorm van zorg aan te bieden. En ook patiënten hebben vaak een voorkeur voor een bepaalde vorm van zorg.’ Ter Meulen adviseert onderzoekers daarom goed zichtbaar te maken dat niet duidelijk is welke van beide zorgvormen beter/effectiever/goedkoper is. ‘En laat zien dat er veel praktijkvariatie is, waardoor een deel van de patiënten nu niet de optimale zorg krijgt.’ Een praktische oplossing is volgens hem de patiënten niet naar behandeling te randomiseren, maar naar behandelaar. ‘Dan levert iedere behandelaar de zorg van eigen voorkeur maar vindt er wel een vergelijking plaats.’

Implementeren begint al vroeg

Het project Kosteneffectiviteit van de follow up na primaire cholesteatoom chirurgie is voor Paul Merkus (KNO-arts, VU medisch centrum Amsterdam) de kapstok om uit te leggen dat de opzet van de studie sterk bepaalt hoe goed de uiteindelijke resultaten later in de praktijk zullen worden overgenomen. ‘Laat het onderzoek zo dicht mogelijk aansluiten bij de bestaande praktijk, zorg dat zoveel mogelijk ziekenhuizen mee kunnen doen.’ Daarvoor is het nodig  in een vroeg stadium eventuele bezwaren en obstakels, maar ook bevorderende factoren die potentiële deelnemende ziekenhuizen naar voren brengen te inventariseren om vervolgens samen naar een oplossing hiervoor te zoeken. ‘Maak vervolgens een implementatieplan dat rekening houdt met de consequenties van de in te voeren zorgverandering op zowel professioneel als organisatorische en financieel niveau. Evalueer het implementatieplan zodra de eerste resultaten beschikbaar zijn.’

En daarna …..

Een belangrijke stap bij de implementatie van onderzoeksresultaten in de praktijk is de opname van die resultaten in de medische richtlijnen over het betreffende onderwerp. Dieuwke Leereveld (adviseur Kennisinstituut van Medisch Specialisten) legt uit hoe dat werkt. ‘De medisch specialistische richtlijnen zijn tegenwoordig samengebracht in de Richtlijnendatabase.  Dat maakt het mogelijk snel antwoord op een vraag te krijgen en dwarsverbanden te zien met andere richtlijnen over hetzelfde onderwerp. Door de modulaire opbouw van de huidige richtlijnen is het mogelijk snel één onderdeel van de richtlijn aan te passen aan nieuwe kennis. ‘Wanneer ga je een richtlijn aanpassen? Is één wetenschappelijke publicatie voldoende of moet er bevestiging komen door een tweede onderzoek?’ ‘Moeten voor het afschaffen van een bepaalde vorm van zorg dezelfde eisen gelden als voor het invoeren van een nieuwe vorm van zorg?’ ‘Ga in ieder geval tijdig in overleg met de beroepsvereniging over wanneer een aanpassing van de richtlijnen mogelijk is. En denk meteen ook na over de aanpassing van de informatie voor patiënten’, raadt Leereveld aan. Tenslotte is het niet duidelijkheid hoe de (financiële) winst van het invoeren van een meer kosteneffectieve interventie terug te zien is voor de zorgverleners en de patiënten, met name als de interventie slechts een klein onderdeel vormt van een DOT. ‘Ziekenhuizen zouden de nieuwe manier van werken goed zichtbaar moeten maken voor zowel de patiënten als voor de zorgverzekeraars’, oppert een vertegenwoordiger van de zorgverzekeraars.

Deze startbijeenkomst ging voorafgaand aan het Symposium Zorgevaluatie van de Federatie Medisch Specialisten. 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website