Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Een ‘trombosebeen’ oftewel een diep veneuze trombose is een aandoening waarbij een bloedstolsel de aderen van het been afsluit. Hierdoor ontstaat zwelling en pijn. In ongeveer een derde van de gevallen breekt dit stolsel af en komt met de bloedstroom mee in de longen terecht. Dit wordt een longembolie genoemd en is een potentieel levensbedreigende situatie.

In bepaalde situaties is het risico op het krijgen van trombose licht verhoogd, zoals na grote operaties, of bij aanwezigheid van andere ziektes, zoals kanker. Vaak wordt dan tijdelijk antistollingsmedicatie voorgeschreven om trombose te voorkómen.

Voor twee situaties waarin de kans op trombose iets verhoogd is was het tot voor kort niet duidelijk of antistollingsbehandeling trombose zou kunnen voorkomen, namelijk voor het hebben van onderbeengips en na een kijkoperatie van de knie. In twee grote klinische studies hebben wij dit onderzocht, door de helft van de patiënten wel en de andere helft geen behandeling te geven, en deze groepen te vergelijken m.b.t. het optreden van trombose. Het bleek dat in beide groepen evenveel gevallen van trombose optraden en dat deze behandeling dus geen zin heeft. Dit is een belangrijk resultaat omdat hiermee een pijnlijk behandeling (de medicatie wordt met injecties gegeven), die bovendien gepaard gaat met een klein bloedingsrisico, niet meer gegeven hoeft te worden aan een grote groep mensen (enkele tienduizenden patiënten per jaar).

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Patiënten met onderbeengips:

Vanaf maart 2012 tot en met januari 2016 werden 1519 patiënten geïncludeerd met onderbeengips. Daarvan werden 761 patiënten gerandomiseerd in de behandelde (LMWH)-arm en 758 patiënten in de geen behandeling-arm. De gemiddelde leeftijd van alle patiënten was 46 jaar met een gemiddelde gipsduur van 5 weken. Een veneuze trombose (trombosebeen of longembolie) werd in 10/719 (6 diep veneuze trombose, 3 longembolie, 1 beide) patiënten gediagnosticeerd in de LMWH groep en in 13/716 (8 diep veneuze trombose, 4 longembolie, 1 beide) patiënten in de geen behandeling groep. Daarbij werd een relatief risico op het krijgen van veneuze trombose gevonden van 0.8 (95% betrouwbaarheidsinterval 0.3-1.7). In de LMWH groep werd één klinisch relevante bloeding waargenomen. Deze resultaten laten zien dat het geven van LMWH bij een behandeling met onderbeengips, niet effectief is om veneuze trombose te voorkomen.

 

Patiënten met een knie artroscopie:

Vanaf maart 2012 tot en met januari 2016 werden 6431 patiënten gescreend voor deelname waarvan 1519 patiënten zijn geïncludeerd die een knie artroscopie hebben ondergaan. De gemiddelde leeftijd van alle patiënten was 48.5 jaar. De meerderheid van alle patiënten onderging een meniscectomie (77%). Een veneuze trombose (trombosebeen of longembolie) werd in 5/731 (4 diep veneuze trombose, 1 longembolie) patiënten gediagnosticeerd in de LMWH groep en in 3/720 (2 diep veneuze trombose, 1 longembolie) patiënten in de geen behandeling groep. Daarbij werd een relatief risico op het krijgen van veneuze trombose gevonden van 1.6 (95% betrouwbaarheidsinterval 0.4-6.9). In beide groepen werd één ernstige bloeding waargenomen. Deze resultaten laten zien dat het geven van LMWH na een knie artroscopie niet effectief is om veneuze trombose te voorkomen.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Dit is een gerandomiseerde, gecontroleerde studie naar de kosteneffectiviteit van het voorkomen van trombose d.m.v. antistollingsbehandeling na een knie artroscopie en tijdens onderbeengips.

 

Nationale en internationale richtlijnen zijn tegenstrijdig in hun advies over tromboseprofylaxe na knie artroscopie of bij onderbeengips. Uit eerder uitgevoerd onderzoek kan onvoldoende worden opgemaakt of profylaxe met bloedverdunners een trombosebeen of longembolie voldoende voorkomt, of dit niet ten koste gaat van ernstige bloedingen en of dit kosteneffectief is.

 

Het onderzoek vindt plaats in ziekenhuizen in de regio Leiden, Den Haag en Gouda. 1500 patiënten die een artroscopie ondergaan en 1500 patiënten met onderbeengips worden geïncludeerd en gerandomiseerd tussen wel of geen antistollingsbehandeling.

Eindpunten van het onderzoek zijn symptomatische veneuze trombose en een ernstige bloeding. Patiënten met dergelijke complicaties zullen 2 jaar worden vervolgd om inzicht te krijgen in de lange termijn effecten.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

In deze twee trials zullen uiteindelijk per trial 2x 750 patiënten geïncludeerd worden. We verwachten dat in de armen zonder behandeling 2% van de patiënten binnen 3 maanden een veneuze trombose zal ontwikkelen en dat in de beide armen met behandeling 0.3% een ernstige bloeding zal ontwikkelen. Dit zal neerkomen op in totaal 30 mensen met een trombose en 5 mensen met een ernstige bloeding. Op dit moment (juni 2012) zijn we in 3 centra net gestart met de inclusie en zijn in beide trials elk 20 mensen geincludeerd. De studie zal nog uitgebreid worden met tenminste 3 ziekenhuizen, waar de procedures om de studie op te starten bij de centra zelf en de betrokken afdelingen momenteel lopen.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Objective:

To determine cost-effectiveness of treatment with low molecular weight heparin (LMWH) after knee arthroscopy and lower leg plaster cast immobilization following surgical or conservative treatment

 

Design:

We will perform two parallel randomised controlled trials comparing treatment with the anticoagulant LMWH to no treatment in two groups of patients with an increased risk of venous thrombosis: patients who underwent knee arthroscopy and patients with lower leg cast immobilisation.

 

Study population:

The study population will consist of patients undergoing knee arthroscopy and patients with lower leg trauma needing plaster casts. These patients will be recruited from 5 hospitals in the Leiden/Den Haag/Delft/Gouda region over a two-year inclusion period. All patients will be eligible, except patients with a contra-indication or an absolute indication for LMWH use.

 

Intervention:

For knee arthroscopy: LMWH (nadroparin 2850 IE s.c. once daily) for 8 days vs no treatment.

For lower leg plaster cast immobilization: LMWH (nadroparin 2850 IE s.c. once daily) for the duration of the immobilization (average 6-8 weeks) vs no treatment.

 

Outcome measures:

Symptomatic venous thrombosis occurring within 3 months; major bleeding during LMWH treatment; clinically relevant bleeding during LMWH treatment; costs of treatment and adverse effects; subjects with an adverse outcome (thrombosis or bleeding) will be followed for a longer period (2 years), and compared to a random sample of subjects who did not experience an adverse outcome, with respect to quality of life and residual clinical symptoms.

 

Sample size calculation:

Based on a thrombosis incidence in the absence of treatment of 2% and a risk reduction of 85%, a sample size of 625 subjects in each arm should be sufficient for both trials (alpha 0.05, power 80%). To account for a maximum drop-out rate after randomisation of 15%, we aim to include 750 subjects in each arm. Assuming a risk of major bleeding of 0.3%, we will be able to determine an upper limit of the 95%CI of about 1%, the maximal risk we will accept for major bleeding. So, we will need 1500 subjects in each trial (3000 subjects in total).

 

Economic evaluation:

Cost-effectiveness analysis (costs per prevented venous thrombosis) and model-based cost-utiltity analysis from a societal perspective (costs per QALY)

 

Time schedule:

First 4 months: finalising protocol, preparing procedures and instructing all medical personnel involved in patient care in the participating centers about the study protocol. Setting up of adjudication committee and data safety monitoring committee.

Month 5-28: Patient recruitment in all centers, and follow-up contact with patient and general practitioner after 3 months. Adjudication of clinical events every three months. Regular patient's safety assessment. Follow-up of subjects with a complication for another 21 months.

Month 29-36: Analysis of data, drafting of manuscripts

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website