Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Inleiding/probleemstelling:

Ongewild urineverlies ofwel urineincontinentie (UI) komt voor bij 5% (800.000) van de Nederlandse bevolking. UI is een veel voorkomend probleem dat anderzijds maar weinig aandacht krijgt. Het merendeel van de patienten krijgt geen behandeling en doorgaans alleen zorg in de vorm van opvangmateriaal. Richtlijnen adviseren voor de meeste patiënten met incontinentie (mn 1e lijn) bekkenbodemspier- cq blaastraining. De meeste huisartsen passen dit (mn door tijdgebrek, weinig toe en schrijven opvangmateriaal voor. Thans krijgt de meeste patiënten opvangmateriaal (jaarlijkse kosten stijgen geleidelijk en bedragen vandaag de dag ruim €160 miljoen); door vergrijzing is nog toename te verwachten). Diverse nationale rapporten adviseren de huisarts te ondersteunen via verpleegkundigen. Dit is vermoedelijk kosteneffectief, aangezien besparingen op opvangmateriaal de extra kosten zullen overschrijden. Literatuurgegevens omtrent de kosteneffectiviteit ontbreken echter volledig. Het project beoogt cure ipv care te bieden door in de zorg in de eerste lijn speciaal getrainde incontinentieverpleegkundigen in te zetten ter ondersteuning van de huisarts. Doel van de studie is om eerste data te verkrijgen omtrent de kosteneffectiviteit van de inzet in de eerste lijn van deze verpleegkundige.

Vraagstellingen van het project waren: Leidt de beschikbaarheid van een gespecialiseerd verpleegkundige in een nieuwe rol als substitutie voor de huisarts bij de zorg voor urine incontinentie tot een efficiëntere zorg?

Verbetert de kwaliteit van leven van patiënten? Neemt de satisfactie onder patiënten, huisartsen en overige hulpverleners toe?

Studie-opzet:in een pragmatisch multicenter gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek in vier Nederlandse regios werd de beschikbaarheid voor de huisarts van een gespecialiseerde

verpleegkundige vergeleken met de gebruikelijke zorg.

Studiepopulatie waren alle patiënten die hun huisarts gedurende 1 jaar consulteerden i.v.m. urineverlies en patienten die bij de huisarts bekend waren met gebruik van opvangmateriaal. Geïncludeerde patiënten werden 12 maanden gevolgd. De interventie hield in dat een gespecialiseerd verpleegkundige o.b.v. richtlijnen en protocollen taken mbt UI over nam van de huisarts.

Uitkomstmaten waren de ernst van urineverlies (ICIQ-SF), medische kosten (diagnostiek, behandeling en

incontinentiemateriaal) en niet-medische kosten (productiviteit, tijd, reizen). Kosten-effectiviteit betrof kosten van geleverde zorg plus opvangmateriaal versus kwaliteit van leven van de patiënt.

Power/data-analyse:o.b.v. ICIQ-SF-data, beta=0.8, alfa= 0.05, en de tweezijdige H1-hypothese, dat de inzet van de nieuwe nurse practioner het effect verhoogt, bedraagt het benodigde totaal aantal patiënten 350.

Economische evaluatie: effecten worden in voor incontinentie ernst gecorrigeerde levensjaren als in (generieke) voor kwaliteit van leven gecorrigeerde levensjaren uitgedrukt.

Resultaten:

De analyse van de verschillen in ernst van urineverlies (ICIQ) tonen een verbetering in de interventiegroep aan t.o.v. de controlegroep die de gebruikelijke zorg kreeg (p=0.037). Opvallend was dat de ICIQ-score ook de controlegroep verbeterde t.o.v. de nulmeting. Na een jaar verbeterden alle deelnemers (p<0.001) met echter geen significant verschil tussen de interventiegroep en de controlegroep (p=0.151).

M.b.t. de afname van plasfrequentie is de interventiegroep na 3 maanden significant verbeterd t.o.v. de controlegroep; echter na 1 jaar zijn beide significant verbeterd en is er geen significant verschil meer tussen beide groepen.

Analyse van de kwaliteit van leven na 3 en 12 maanden liet zien dat beide groepen verbeterden (p<0.001), met een niet significant verschil tussen de beide groepen (p=0.108 resp. p=0.669).

Opvallend is in de resultaten dat indien in analyses een verbetering in de interventiegroep zichtbaar was, er ook een verbetering in de controlegroep zichtbaar was, terwijl in deze groep juist geen enkele verbetering werd verwacht.

 

Conclusie: het traject via de incontinentieverpleegkundige blijkt in staat om de ernst van incontinentie te verminderen, in elk geval op de korte termijn. Deze interventie werkt niet direct kostenbesparend, althans niet binnen een jaar tijd; uitgedrukt in Qaly's is de interventie kosteneffectief. Patienten zijn echter zeer tevreden over de geboden zorg, net als de meerderheid van de huisartsen en de verpleegkundigen.

Aanbeveling:

De implementatie van de incontinentieverpleegkundige voor de huisartspraktijk is zinvol; ipv de inzet van een verpleegkundige uit de thuiszorg is ook de inzet van praktijkondersteuners mogelijk. Het zorgtraject kan op onderdelen worden verbeterd, zoals een driemaandelijkse controle.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Algemene resultaten:

In de studie werden 2166 patienten met urineincontinentie door hun huisarts uitgenodigd om aan het project deel te nemen. Daarvan waren 647 patienten geinteresseerd maar bijna de helft voldeed niet aan de inclusiecriteria. Uiteindelijk werden 384 patienten geincludeerd die wensten deel te nemen en voldeden aan de in- en exclusiecriteria. Na randomisatie kwamen 186 deelnemers in de interventiegroep terecht (zorg via de verpleegkundige) en 198 deelnemers in de controlegroep (gebruikelijke zorg via de huisarts). De uitval tijdens de interventieperiode was laag en bleef beperkt tot 40 deelnemers (10.4%).

 

Ernst van urineverlies:

De analyse van de ICIQ somscore na 3 maanden laat een significante verbetering zien in de interventiegroep t.o.v. de controlegroep (p=0.037). Opvallend is daarbij dat niet alleen de interventiegroep een verandering in de gewenste richting laat zien maar ook de controlegroep. Overall verbeterden alle deelnemers na een jaar, zowel in de interventiegroep als in de controlegroep (p<0.001), maar de verbetering van de ICIQ in de interventiegroep was niet significant beter dan in de controlegroep (p=0.151).

Onze data laten zien dat niet de interventiegroep verbetert maar ook de controlegroep. De data suggereren dat de gebruikelijke zorg (care as usual) in tegenstelling tot de aannames voorafgaand aan de studie is veranderd in de loop van het onderzoek.

Voor incontinentie relevante symptomen als de dagelijkse plasfrequentie, gemeten via een mictiedagboek gedurende 3 dagen, lieten in de interventiegroep een significante afname zien na 3 maanden t.o.v de controlegroep (p=0.002).

Na 12 maanden is de mictiefrequentie voor beide groepen gedaald (p<0.001), maar zonder significant verschil tussen de interventiegroep en de controlegroep.

 

Kwaliteit van leven:

Deze werd gemeten via de EuroQol (EQ-5D) en de ziektespecifieke IIQ-7. De EQ-5D is vooral gebruikt voor de economische evaluatie.

De 3 maanden analyse van de IIQ-7 liet zien respondenten in beide groepen een verbeterde kwaliteit van leven hadden t.o.v. de nulmeting (p<0.001), echter zonder verschil tussen beide groepen (p=0.108). Na een jaar is er eveneens een significante verbetering in de kwaliteit van leven onder respondenten in beide groepen t.o.v. de nulmeting (p<0.001), wederom echter zonder verschil tussen beide groepen (p=0.669).

 

Kosten:

De totale gemiddelde gezondheidszorgkosten bedragen 624€ in de interventiegroep, en 406€ in de controle groep (incrementele kosten 218€; 95% bootstrap betrouwbaarheids-interval van -38 tot 567€). De kosten voor het gebruik van incontinentiemateriaal en de interventiekosten vormen de meeste kosten. Het verschil in zorgkosten zit vooral in interventiekosten. Gemiddelde kosten per patient bedroegen 193€ met een bootstrap betrouwbaarheidsinterval (165-220). De totale maatschappelijke kosten bedragen 683€ in de interventie groep en 461€ in de controle groep (incrementele kosten 222€, 95% bootstrap betrouwbaarheids-interval (-106 tot 655). De winst in QALY is 0.0116. Vanuit maatschappelijk perspectief bedragen de kosten per QALY ratio € 19.077 per gewonnen QALY. Vanuit zorgperspectief is de kosteneffectiviteitsratio iets lager: 18.706€ per gewonnen QALY.

De resultaten van de bootstrap simulatie laten zien dat bijna alle kosteneffectiviteitsparen in het noordelijke quadrant liggen van het kosteneffectiviteitsvlak, wat extra kosten betekent. De kans op inferioriteit is 34% (NW quadrant). Bij een plafond ratio van € 40.000 per QALY is de kans dat de incrementele kosteneffectiviteistratio acceptabel is 60%.

 

Satisfactie:

Patienten in de interventiegroep beoordeelden de verleende zorg door de verpleegkundige hoger dan 8 op een schaal van 0 (zeer slecht) tot 10 (uitstekend). De controlegroep beoordeelde de zorg van de huisarts gemiddeld met ongeveer 6.7. De meeste patienten uit de interventiegroep zouden deze zorg aan anderen aanbevelen.

Driekwart van de huisartsen zag de zorg geleverd door de verpleegkundige als waardevol voor de dagelijkse zorg voor patienten met incontinentie in hun praktijk. Een meerderheid zou deze zorg aanbevelen bij collega's. Onder de verpleegkundigen was er vrijwel unaniem een positief oordeel over hun meerwaarde.

 

Conclusies:

Conclusie: het traject via de incontinentieverpleegkundige blijkt in staat om de ernst van incontinentie te verminderen, in elk geval op de korte termijn. Deze interventie werkt niet direct kostenbesparend, althans niet binnen een jaar tijd; uitgedrukt in Qaly's is de interventie kosteneffectief. Patienten zijn echter zeer tevreden over de geboden zorg, net als de meerderheid van de huisartsen en de verpleegkundigen.

Aanbeveling:

De implementatie van de incontinentieverpleegkundige voor de huisartspraktijk is zinvol; ipv de inzet van een verpleegkundige uit de thuiszorg is ook de inzet van praktijkondersteuners mogelijk. Het zorgtraject kan op onderdelen worden verbeterd, zoals een driemaandelijkse controle.

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Ongewild urineverlies komt voor bij 5% (800.000) van de Nederlandse bevolking. Richtlijnen adviseren voor de meeste patiënten met urineverlies (m.n. in de 1e lijn) bekkenbodemspier- en/of blaastraining als belangrijkste behandeling. De meeste huisartsen passen deze training, waarschijnlijk i.v.m. tijdgebrek, te weinig toe en schrijven incontinentiemateriaal voor. Thans krijgt meer dan 50% van de patiënten (m.n. ouderen) incontinentiemateriaal (jaarlijkse kosten €90 miljoen; door vergrijzing is een verdere toename te verwachten). Verschillende nationale rapporten adviseren de huisarts te ondersteunen via gespecialiseerde verpleegkundigen . Dit is waarschijnlijk kosteneffectief, aangezien de besparingen op incontinentiemateriaal de extra kosten zullen overschrijden. Vraagstelling: Leidt de beschikbaarheid van een gespecialiseerd verpleegkundige in een nieuwe rol als substitutie voor de huisarts bij de zorg voor urine incontinentie tot een efficiëntere zorg? Verbetert de kwaliteit van leven van patiënten? Neemt de satisfactie onder patiënten, huisartsen en overige hulpverleners toe?

Studie-opzet: in een pragmatische multicenter RCT in twee regio’s wordt de beschikbaarheid voor de huisarts van een gespecialiseerde verpleegkundige vergeleken met de gebruikelijke zorg.

Studiepopulatie: alle patiënten die in 1 jaar hun huisarts consulteren i.v.m. urineverlies. Geïncludeerde patiënten worden 12 maanden gevolgd (exclusiecriteria zie elders).

Interventie: o.b.v. richtlijnen en protocollen neemt een gespecialiseerd verpleegkundige taken van de huisarts over. De huisarts blijft eindverantwoordelijk.

Uitkomstmaten: ernst van urineverlies (ICIQ-SF kwal.v.leven), medische kosten (diagnostiek, therapie en incontinentiemateriaal) en niet-medische kosten (productiviteit, tijd, reizen). Kosten-effectiviteit: kosten van geleverde zorg plus incontinentiemateriaal versus kwaliteit van leven van de patiënt.

Power-/data-analyse: uitgaande van ICIQ-SF-data, (β=80%, α=0.05), en de tweezijdige H1-hypothese, dat de beschikbaarheid van de nieuwe nurse practioner het effect verhoogt, bedraagt het benodigde aantal patiënten 350.

Economische evaluatie: in de kosteneffectiviteitanalyse worden maatschappelijke kosten en effecten gekwantificeerd via een markov model. Effecten worden in voor incontinentie ernst gecorrigeerde levensjaren als in (generieke) voor kwaliteit van leven gecorrigeerde levensjaren uitgedrukt.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Concrete resultaten en uitkomsten van de interventie kunnen ten tijde van het samenstellen van dit voortgangsverslag nog niet worden beschreven. De inclusiefase loopt immers nog. Na afloop van de inclusiefase zal de data-invoer en de data-analyse worden gestart. Pas dan kunnen resultaten van de interventie en verschillen tussen de interventiegroep en de controlegroep worden gepresenteerd.

Duidelijk is inmiddels wel dat de interventie (het inschakelen van een incontinentieverpeegkundige) uitvoerbaar is en uitermate wordt gewaardeerd door patienten.

Qua uitvoering van de trial kan worden gesteld dat de randomisatie goed verloopt en de uitval tot dusver zeer laag is, momenteel in elk geval lager dan 10%.

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

. objective(s) / research question(s):Urinary incontinence affects 5% (800.000) of the Dutch population. Guidelines recommend pelvic floor muscle/bladder training for most patients. Unfortunately, GPs use this training only incidentally (probably too time consuming) and prescribe incontinence pads. Over 50% of patients get such pads, costing € 90 million each year. Due to ageing of the population a further increase is expected. Several national reports recommend to involve nurse practitioners to support GPs and improve patient care. Overall, this is probably highly cost-effective, as expected savings in incontinence pads exceed costs for nurses. Studyquestions: does the availability of a nurse practitioner in a new role as substitute for the GP lead to a more efficient care for adult urinary incontinence patients? Does it improve quality of life of patients and satisfaction of patients, GPs and other care providers?

. study design:in a pragmatic prospective multicenter randomised controlled trial in two Dutch regions the availability and involvement for the GPs of a nurse practitioner is compared with usual care.

. study population(s)/ datasets:All consecutive patients consulting their GP within 1 year for urinary incontinence are eligible. Included patients will be followed for 12 months (exclusion criteria listed elsewhere).

. intervention:the nurse practitioner provides diagnosis+ treatment plan, based on guidelines where he/she takes over tasks from the GP. GPs keep final responsibility.

. outcome measures:severity of urinary incontinence (ICIQ-SF), medical costs (diagnostics, treatment, incontinence pads) and non-medical costs (productivity, time and travel). Cost-effectiveness expresses costs of health care and incontinence pads related to patient quality of life.

. power/data analysis:based on ICIQ-SF outcome data (beta=o.80, alfa=0.05), and given the two-sided H1-hypothesis that the availability of the new nurse practioner improves the effect, the needed number of patients is 350, (with an expected drop-out rate during the trial of 20%: 440).

. economic evaluation: we will use a markov modelling approach, incorporating life time societal costs and effects. Effects will be quantified in incontinence symptom severity adjusted life years, and in (generic) quality adjusted life years.

. time schedule:study set up: 8 months; trial phase and follow-up: 2 years; analyses/report: 4 months

 

. doel / vraagstelling:Ongewild urineverlies komt voor bij 5% (800.000) van de Nederlandse bevolking. Richtlijnen adviseren voor de meeste patiënten met urineverlies (m.n. in de 1e lijn) bekkenbodemspier- cq blaastraining. De meeste huisartsen passen dit (vooral door tijdgebrek, weinig toe en schrijven incontinentiemateriaal voor. Thans krijgt >50% van de patiënten incontinentiemateriaal (jaarlijkse kosten €90 miljoen); door vergrijzing is een verdere toename te verwachten). Verschillende nationale rapporten adviseren de huisarts te ondersteunen via gespecialiseerde verpleegkundigen. Dit is waarschijnlijk kosteneffectief, aangezien de besparingen op incontinentiemateriaal de extra kosten zullen overschrijden. Vraagstelling: Leidt de beschikbaarheid van een gespecialiseerd verpleegkundige in een nieuwe rol als substitutie voor de huisarts bij de zorg voor urine incontinentie tot een efficiëntere zorg? Verbetert de kwaliteit van leven van patiënten? Neemt de satisfactie onder patiënten, huisartsen en overige hulpverleners toe?

. studie-opzet:in een pragmatisch multicenter gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek in twee Nederlandse regio?s wordt de beschikbaarheid voor de huisarts van een gespecialiseerde verpleegkundige vergeleken met de gebruikelijke zorg.

. studiepopulatie / databronnen:alle patiënten die hun huisarts gedurende 1 jaar consulteren i.v.m. urineverlies. Geïncludeerde patiënten worden 12 maanden gevolgd (exclusiecriteria zie elders).

. interventie:o.b.v. richtlijnen en protocollen neemt een gespecialiseerd verpleegkundige taken van de huisarts over. De huisarts blijft eindverantwoordelijk.

. uitkomstmaten:ernst van urineverlies (ICIQ-SF), medische kosten (diagnostiek, behandeling en incontinentiemateriaal) en niet-medische kosten (productiviteit, tijd, reizen). Kosten-effectiviteit: kosten van geleverde zorg plus incontinentiemateriaal versus kwaliteit van leven van de patiënt.

. power-/data-analyse:o.b.v. ICIQ-SF-data, (beta=0.80, alfa=0.05), en de tweezijdige H1-hypothese, dat de beschikbaarheid van de nieuwe nurse practioner het effect verhoogt, bedraagt het benodigde aantal patiënten 350, bij een uitval tijdens de studie van 20% wordt dit 440.

. economische evaluatie: maatschappelijke kosten en effecten worden gekwantificeerd via een markov model. Effecten worden in voor incontinentie ernst gecorrigeerde levensjaren als in (generieke) voor kwaliteit van leven gecorrigeerde levensjaren uitgedrukt.

. tijdplanning:opzet studie: 8 mndn; experiment fase+follow-up: 2 jaar; analyses/rapportage: 4 mndn

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website