Projectomschrijving

Tussen 1998 en 2001 daalde in Nederland het percentage gedoneerde hoornvliezen dat daadwerkelijke gebruikt werd voor transplantatie van 50.8% tot  35.2%. De reden van het niet-gebruiken was dat de hoornvliezen niet (in hun geheel) geschikt waren voor transplantatie. Nieuwe transplantatietechnieken maken het inmiddels mogelijk dat alleen een deel van het hoornvlies gebruikt wordt. In Maastricht is onderzocht of het toepassen van deze technieken leidt tot een doelmatiger gebruik van hoornvliezen voor transplantatie (met behoud van de kwaliteit van de ingreep). Tussen 2004 en 2008 is het percentage gebruikte hoornvliezen inderdaad gestegen tot ongeveer 50 procent. Deze stijging is echter maar voor een klein deel het gevolg van gebruik van hoornvliezen die in het verleden zouden zijn afgekeurd. Bij het toepassen van de nieuwe technieken wordt toch meestal gebruik gemaakt van hoornvliezen die ook voor de oude techniek geschikt waren. De uitkomst van de operatie is voor de oude en nieuwe techniek nagenoeg gelijk.

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website