Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

De AIRFORCE studie onderzoekt de effectiviteit en kosteneffectiviteit van subcutane immunotherapie (SCIT) met extracten van boompollen, graspollen of huisstofmijt (of combinaties hiervan) bij patiënten met rhinitis op basis van een allergie voor deze allergenen. Patiënten die naast standaard medicatie (UC: ‘usual care’) gedurende 1 of 2 jaar immunotherapie ontvingen werden vergeleken met patiënten die alleen met standaard medicatie werden behandeld. Middels online vragenlijsten werd informatie verkregen over symptomen, dagen zonder symptomen of medicatie, kwaliteit van leven en directe c.q. indirecte medische kosten.

Na 1 of 2 jaar werd geen behandel effect van SCIT gevonden op symptoomscores noch bij analyses op behandeling met boompollen, graspollen afzonderlijk, noch bij analyse op combinaties van allergenen of op de gehele groep. Ook onderscheidden de patiënten die SCIT ondergingen zich niet bij de analyse van andere medische uitkomsten.

De economische analyse liet zien dat SCIT werd gedomineerd door standaard behandeling. Er is geen significant verschil in kosten tussen beide behandelingen, zowel vanuit gezondheidszorgperspectief of maatschappelijk perspectief.

Hoewel de patiënten werden ingesloten op basis van de richtlijnen, is het mogelijk dat een scherpere indicatiestelling gericht op patiënten met ernstige rhinitis die niet goed worden gecontroleerd met standaard therapie noodzakelijk is.

Ten tweede omvat de AIRFORCE studie een retrospectief onderzoek naar therapietrouw bij patiënten die SCIT of sublinguale immunotherapie (SLIT) ondergingen gebruik makend van een landelijke database van apotheken, waarmee 20% van de Nederlandse bevolking werd gedekt . Het bleek dat het aantal patiënten die de voor immunotherapie vereiste drie jaar behandeling onderging laag was. Patiënten die SCIT ondergingen, werden langer behandeld dan patiënten met SLIT. Het is van cruciaal belang therapietrouw te verbeteren.

 

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Honderddrieëntachtig patiënten met allergische rhinitis ten gevolge van één (43%) of meerdere (57%) allergieën namen deel aan de studie. Drieënnegentig ondergingen SCIT, 90 ontvingen standaard therapie. Een significant verschil in klachtenscores tussen SCIT en UC werd niet vastgesteld, noch voor boompollen, graspollen of huisstofmijt. Een analyse waarbij alle beschikbare gegevens werden meegenomen, liet eveneens geen effect van SCIT zien. Hetzelfde gold voor analyse van andere uitkomstmaten. Patiënten die SCIT ondergingen rapporteerden wel significant meer verbetering. Het verschil tussen SCIT en UC was echter klein.

Vanwege het gebrek aan klinische effectiviteit leverde de economische analyse als belangrijkste resultaat op dat SCIT werd gedomineerd door standaard behandeling. Wanneer de kosten van de behandeling met immunotherapie buiten beschouwing worden gelaten, is er geen significant verschil in kosten waar te nemen tussen beide behandelingen, zowel bekeken vanuit het gezondheidszorgperspectief of maatschappelijk perspectief, noch binnen, noch buiten het piekseizoen van allergeenexpositie. Zoals verwacht werd geen significant verschil in utiliteitsmaten tussen SCIT en UC gezien.

De retrospectieve analyse toonde aan dat slechts een kleine fractie van de patiënten die immunotherapie ondergingen de vereiste 3 jaar behandeling bereikten. Patiënten die SCIT ondergingen werden langer behandeld dan patiënten die SLIT ontvingen. Het gebrek aan therapietrouw gaat gepaard met aanzienlijke maatschappelijke kosten. Daarom is het verbeteren van therapietrouw cruciaal.

 

Voortgangsverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Allergische neusklachten (allergische rhinitis/hooikoorts) komen bij meer dan 20% van de bevolking voor. Behandeling bestaat uit het toedienen van medicatie. Daarnaast is het mogelijk om met behulp van hyposensibilisatie of immunotherapie niet alleen de klachten te onderdrukken, maar ook het beloop van allergische rhinitis gunstig te beinvloeden. Het gunstige effect van de behandeling houdt aan, ook na staken van de therapie. Aangezien immunotherapie met injecties arbeidsintensief is voor patënt en arts, is dit onderzoek bedoeld om bij 240 volwassen allergische patiënten, die hetzij gewone zorg, hetzij gewone zorg en immunotherapie ontvangen na tegaan of immunotherapie met relevante allergenen als graspollen, boompollen en huisstofmijt - of combinaties - toegevoegd aan medicatie niet alleen effectief maar ook kosteneffectief is. Met het onderzoek wordt ook duidelijk of immunotherapie bij patiënten met meerdere allergieën even effectief is als bij patiënten met een enkele allergie. Tevens geeft het onderzoek inzicht in de therapietrouw. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een database van het PHARMO-instituut. Tenslotte maakt het onderzoek de kosten van allergische rhinitis in Nederland inzichtelijk.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Website

In 2009 is de website www.airforce-onderzoek.nl ontwikkeld. De website kent een front-end (ten behoeve van patiënten) en een back-end omgeving (voor gebruik door het onderzoeksteam en medisch specialisten) en voldoet aan de beveiligingseisen zoals neergelegd in de norm NEN 7510 voor de zorgsector. Via deze website wordt het toewijzen van patiënten voor behandeling met medicatie of medicatie plus immunotherapie uitgevoerd en de webbased vragenlijsten afgenomen, waartoe gebruikers via email en SMS-tekstberichten worden opgeroepen. De dataverzameling verloopt geheel via deze website; er worden geen schriftelijke vragenlijsten meer afgenomen

 

PHARMO database

Teneinde de therapietrouw van het gebruik van allergeenspecifieke immunotherapie (zowel sublinguaal als subcutaan) te onderzoeken, is een retrospectieve database verkregen van het PHARMO-instituut. De database beschrijft de lange-termijns therapietrouw (persistence) aan immunotherapie in termen van apotheekbezoek van ruim 8000 patiënten uit heel Nederland met boom-/graspollen en/of huisstofmijtallergie en loopt van 1994 t/m 2009. Voor het gewenste langetermijneffect (>5jr) op neus-, oog en longklachten door allergische rhinitis is een persistence van 3 tot 5 jaar vereist.

 

Ontwikkeling van de RUQ-R

Ten behoeve van de kostenraming van gebruik van SCIT, is een gezondheideconomische vragenlijst ontwikkeld welke elektronisch door de patient wordt ingevuld: de Resource Use Questionnaire – Rhinitis. Met behulp van de RUQ-R wordt het zorggebruik gedurende de afgelopen twee weken gemeten. Bezoek aan eerstelijnshulpverleners, alternatieve therapeuten en paramedici, klinische opnames, SEH-bezoek, medicijngebruik, arbeidssituatie, ziekteverzuim en verminderde arbeidsproductiviteit wordt gedetailleerd in kaart gebracht. De opzet van de RUQ-R is in lijn met het maatschappelijk kostenperspectief van waaruit de economische evaluatie wordt uitgevoerd.

Recrutering van patiënten

Met 4 UMCs, 9 algemene ziekenhuizen en huisartsen in de regio's Rotterdam, Delft, Den Haag, Dordrecht, Utrecht en Amsterdam worden patiënten gerecruteerd. Aangezien in 2010 alle deelnemende centra actief kunnen gaan rekruteren en een grote groep huisartsen is uitgenodigd verwachten wij dit jaar het grootste deel van de benodigde deelnemers te kunnen includeren. Omdat de recrutering in het eerste jaar achter bleef bij de planning o.a. door de Mexicaanse griep in het najaar 2009 en het waarschijnlijk logistiek niet mogelijk is alle patiënten dit jaar te includeren zal de studie met een jaar verlengd moeten worden.

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Prevalence of allergic rhinitis is estimated at 22.7%. Reported annual costs of allergic rhinitis in different countries vary from € 1,543 to € 4,260 per adult. Apart from usual care, which consists of symptomatic, anti-allergic medication, subcutaneous immunotherapy (SCIT) with allergens has proven long-term effects on symptoms of both rhinitis and asthma. However SCIT is expensive and its cost-effectiveness has not been proven. Objectives: First, to estimate the cost-effectiveness of SCIT with grass pollen (GP), tree pollen (TP) and house dust mites (HDM) – the most prevalent allergies treated with SCIT – or combinations compared with UC. Second to estimate the clinical efficacy of SCIT with GP, TP, or HDM in subgroup analysis. Third, evaluation of the adherence to therapy using retrospective data from the project group, trial based data and data obtained from the PHARMO database? Study population: adults with persistent allergic rhinitis based on sensitization to GP, TP, HDM or combinations recruited from 1 allergy centre, 7 general and 3 university hospitals. Intervention: SCIT with GP, TP, HDM or combinations. Outcome measures: Cost-effectiveness: the costs per successfully treated patient, the costs per symptom-free day during the second year, the costs per QALY, the costs per patient with a clinically relevant improvement on the Rhinitis Quality of Life Questionnaire (RQLQ). Clinical effectiveness: Symptom scores in pollen peak periods or HDM peak exposure periods, VAS (visual analogue scale), medication scores, RQLQ and global assessment. Sample size: Based on previous Dutch studies 44 patients with GP allergy, 44 with TP and 49 with HDM allergy per treatment armare required to detect clinical effectiveness for the separate allergens. Taking overlap between allergies into account, we aim at 100 patients per treatment arm (SCIT or UC) for the economic evaluation. With 15% drop out rate 240 patients are required. Data analysis: Comparisons of the primary outcome will be done by analyses of covariance taking account of retrospective symptom scores (in case of pollen allergy) or baseline scores (in case of HDM allergy), age, sexe and co-sensitization.A. A comprehensive trial-based economic evaluation with a 2-year time horizon will be conducted. This will be complemented by a model-based economic evaluation that extends the time horizon to 10 years.

Time schedule: recruitment of 2 cohorts. September - November 2009 start 1st cohort, end September-November 2011; September - November 2010 start 2nd cohort, end September-November 2011

The adherence to treatment in this study will be compared with retrospectively analysed data from the participating centres and data from the PHARMO database.

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website