Verslagen

Eindverslag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Op het ogenblik wordt bij iedere transfusie alleen rekening gehouden met de ABO-bloedgroep en de Rh-factor (Rheus D). Dit betekent dat na iedere bloedtransfusie iemand een antistof kan maken tegen andere bloedgroepantigenen, zoals de Rhesusantigenen c en E. Wanneer een zwangere vrouw vroeger een bloedtransfusie heeft gehad, kan zij antistoffen hebben gemaakt die gericht zijn tegen de rode bloedcellen van het kind. Deze kunnen bij het kind de hemolytische ziekte van de pasgeborene veroorzaken, een ziekte die mits tijdig ontdekt meestal wel behandeld kan worden, maar met grote kosten en ook risico’s, bijvoorbeeld behandeling door bloedtransfusies aan het kind in de baarmoeder. Wanneer we bij het geven van bloed aan alle meisjes en vruchtbare vrouwen ook rekening zouden houden met andere antigenen, zouden deze ziektegevallen voorkomen kunnen worden. Voor het bloedgroepantigeen K is om die reden al besloten, dat alle vrouwen <45 jaar K-negatief bloed krijgen toegediend. Omdat we uit eerdere studies weten dat het behalve antiK- en antiD-antistoffen vooral antiRhc en anti-RhE zijn die HZP veroorzaken is in dit project onderzocht hoeveel ziektes en kosten voor het opsporen en behandelen van deze ziektes kunnen worden voorkomen wanneer alle vrouwen < 45 jaar c en/of E compatibel bloed toegediend krijgen.

Resultaten
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

Bij ongeveer 303 vrouwen per jaarworden antistoffen tegen c en/of E aangetroffen. Ongeveer 13 kinderen per jaar krijgen een ernstige hemolytische ziekte van de pasgeborene ten gevolge van deze antistoffen. Van alle vrouwen met een anti-c en een anti-E antistof hebben respectievelijk 54,1% en 46,6% een voorafgaande bloedtransfusie (BT) in de anamnese. In de controle groep was dit slechts 1.7%. Aangezien de meeste BT (81%) gegeven worden vanwege een voorafgaande zwangerschap, hebben we vervolgens onderzocht of de immunisatie inderdaad altijd door de bloedtransfusie is veroorzaakt, en niet doordat BT vooral gegeven wordt bij bevallingen met een hoge foetomaternale bloeding (FMH) en daardoor een verhoogd immunisatierisico, of door de verhoging van de immuunresponsiviteit door een BT. Dit bleek inderdaad voor een deel het geval, we schatten dat in maximaal 30% van de gevallen er ook immunisatie was opgetreden bij een gematchte transfusie. Verder zal niet iedere vrouw met een antistof een antigeen-positief kind krijgen. Van de vrouwen met een anti-c zonder BT in de anamnese bleek de kans op een c-positief kind in een volgende zwangerschap 70%, tegen 81% voor de vrouwen zonder BT. Voor anti-E zijn deze percentages respectievelijk 27% en 47% . De prevalentie van HDFN tgv bloedtransfusie is hiervoor gecorrigeerd.

Het matchen van bloedtransfusies op bloedgroep cE bij fertiele vrouwen blijkt een uiterst doelmatige interventie waarvan de kosten maar kortdurend (4 jaar) hoger zijn dan de baten. Gematcht transfunderen (8210 zwangeren, 2370 niet zwangere vrouwen tot 45 jaar) kost 67.7000 euro per jaar (prijsniveau 2004), de kosten van op deze wijze voorkoombare c/E/cE immunisaties (50% van alle c/E/cE immunisaties) bedragen circa 200.000 euro per jaar; na 4 jaar zijn de besparingen reeds gelijk aan de kosten; na 8 jaar zijn de initiele kosten verevend; jaar op jaar nemen de financiele baten toe: na 10 jaar jaarlijks 106.000 euro, na 20 jaar 123.000 euro, waarna in de volgende 25 jaren de baten uiteindelijk langzaam stijgen tot het maximum van circa 135.000 euro per jaar.

Het aantal transfusie-gerelateerde immunisaties daalt in de 1e 5 jaar aanzienlijk, van aanvankelijk 110 naar 72 na 5 jaar; bij 10 jaar is dat 25, bij 20 jaar 6. Uit het model bleek dat vooral de gematchte transfusies bij zwangeren snel effect sorteren: na 5 jaar zijn de hieraan toegeschreven immunisaties al gehalveerd van een 97/jaar naar 46/jaar. Dit wordt veroorzaakt doordat 5 jaar na introductie de bevallenen van het startjaar reeds een belangrijk deel van hun ‘vervolgkinderen’ hebben gebaard. Niet alle c/E/cE immunisaties zijn overigens te voorkomen (50%), maar met deze maatregel wordt een grote reductie bereikt, die groter is dan enige ander voorgestelde verbetering (zie OPZI-rapportages).

 

Samenvatting van de aanvraag

Samenvatting
Dit item is dichtgeklapt
Dit item is opengeklapt

The aim is to decrease the incidence of allo-antibody-related HDN in the Dutch pregnant population. The presence of anti-RhE and anti-Rhc based antibodies ranks third (260 cases per year, cpy, 2003 OPZI-data) ) and fourth (125 cpy), after anti-K and anti-RhD, among cases of allo-antibodies in pregnant women. 66% of severe HDN induced by non-RhD alloantibodies are caused by anti-c or anti-E.

We will investigate the cost-effectiveness of the introduction of a national bloodtransfusion policy consisting of matching donor blood for Rhc (and RhE) in Rhc- (or RhE-)negative female recipients (20% (and 71%),respectively) under 45 yrs. This national policy would apply to about 72000 transfusions/year.

National consensus has been arrived at (CBO, oct. 2002) that all women under age 45 should receive Kell(K)-negative blood to prevent K- alloimmunization and subsequent HDN. The extension of this policy to Rhc- and RhE negative females was considered, yet postponed awaiting evidence from the on-going study (the socalled OPZI-study) on the Dutch screening program for Irregular Erytrocyte Antibodies (IEA) in pregnancy. OPZI is carried out by the applicants of this proposal but does not address the transfusion prevention potential; the coverage of OPZI exceeds 95% of IEA-cases.

The study proposed here efficiently combines OPZI-data with newly collected data on an array of transfusion costs. OPZI will provide (1) the incidence Rhc- and RhE-immunizations in pregnancy, (2) direct costs (e.g. lab tests, echoscopy, invasive diagnostic tests, etc.), (3) the false negative rate of the screening test, (4) the burden of a positive screening test as well as (5) the actual risk of developing signs of hemolytic anaemia, requiring hospital stay and/or therapeutic intervention (a.o. risky fetal exchange transfusions). Newly collected data will include a.o. the costs of transfusing matched donor blood, including costs of [repeated] typing the recipient and the donor blood, and the indirect logistic costs for blood banks and user-hospitals. Additional analysis of OPZI data will derive the specific contribution of unmatched transfusion to incidence of IEA. Various transfusion policy models will be compared by modelling techniques with the average 2002/2003 pregnant population as the denominator of analysis.

Outcome will be expressed in numbers of IEA-screen-positives (diagnostic burden gain) and Rhc/RhE-HDN (patient outcome gain) avoided. If the HDN difference is ignorable (as expected), then a cost-minimization analysis will be applied comparing (1) selective blood transfusion to (RhD-positive) women under 45 yrs (Rhc, RHE, K) with (1a) and without (1b) IEA screening, (2) selective blood transfusion to (RhD-positive) women in pregnancy or after delivery with (2a) or without (2b) IEA screening (3) blood transfusion as usual (K-matched cf. CBO) with IEA-screening.

Regarding data collection the time schedule is dependent on the provision and creation of transfusion-related datasets of current business as usual. All data apply to the national population (no sampling). For rare events (like severe HDN) sensitivity analysis will be applied. No power calculations are thought to be applicable here.

 

 

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website