Voor veel jongeren is middelengebruik tijdens het nachtelijk uitgaansleven eerder regel dan uitzondering. Onderzoekers uit 5 landen (België, Zweden, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk) gaan binnen het ERANID-project ALAMA-nightlife uitzoeken hoe die dynamiek tussen uitgaan en het gebruik van drugs en andere middelen er precies uitziet.

Projectleider Margriet van Laar van het Trimbos-instituut in Nederland is nauwelijks te stoppen als haar gevraagd wordt waar het onderzoeksproject over gaat. Dat komt vooral omdat het zowel methodologisch als inhoudelijk een veelzijdig project is. ‘We gaan een enorm grote dataset opbouwen waarbij we verschillende boeiende methodologische technieken gebruiken’, vertelt ze.

Online en on the spot

Zo is het bijvoorbeeld de bedoeling om in elk land 2.000 jongvolwassenen tussen 18 en 34 jaar te bevragen, 1.500 worden online geworven en 500 ‘on the spot’, tijdens het uitgaan en bezoeken van elektronische dansfeesten. Even los van het feit dat dat alleen al een forse klus is, geeft het ook informatie over de representativiteit van beide methoden. Want wat als de ene groep heel anders antwoordt dan de andere? Van Laar: ‘Er wordt in ons vakgebied tegenwoordig steeds meer gewerkt met vragenlijstonderzoek via het web waarbij respondenten online worden geworven, bijvoorbeeld via Facebook en sites waar uitgaanders informatie zoeken. Dat is een snelle en kostenefficiënte methode waarmee in korte tijd gegevens van veel respondenten kunnen worden verzameld. Het is echter een zelfgeselecteerde groep waarvan de representativiteit onbekend is. We krijgen hier wel een beeld van, door kenmerken van respondenten in beide steekproeven en hun uitgaansgedrag en middelengebruik te vergelijken. Daar kunnen we voor toekomstig onderzoek van leren.’

Avondje lol

De achterliggende gedachte bij dit onderzoek is uiteraard dat door meer inzicht te krijgen in het middelengebruik tijdens het uitgaansleven, preventie, regelgeving en zorg beter kunnen worden afgestemd op de realiteit. ‘Maar laten we eerlijk zijn’, zegt Van Laar, ‘voor veel jongeren voegen die drugs alleen maar plezier toe aan hun avondje stappen. Die hebben gewoon lol. Probleem is wel dat het soms uit de hand loopt en dat moeten we zien te voorkomen. Zeker nu sommige drugs almaar sterker worden en er voortdurend allerlei nieuwe stoffen op de markt verschijnen.’

Vragen, vragen, vragen

De vragen die de jongvolwassenen gesteld krijgen, gaan niet alleen over het huidige drugsgebruik. Ook retrospectief wordt gekeken op welke leeftijd ze met welke middelen zijn begonnen, naar verwachting meestal alcohol en tabak. Hoe is dat gebruik veranderd in de loop der tijd? Zijn er hoogrisicogroepen aan te wijzen? Wat zijn de consequenties voor de gezondheid en het dagelijks functioneren? En natuurlijk wordt er gekeken naar verschillen tussen landen. Klopt het dat er in Engeland ook buiten het uitgaansleven thuis steeds meer ecstasy gebruikt wordt? Gaat het in Italië en Zweden nog steeds vooral om respectievelijk cocaïne en amfetamine of is ook daar ecstasy in opkomst? Zijn er tendensen waarneembaar? En hoe gaan uitgaande jongeren om met meer of minder strenge regelgeving? Wordt die omzeild en zo ja, hoe? Naar verwachting de helft van de ondervraagde party- en clubbezoekers krijgt een jaar later nogmaals dezelfde vragen voorgelegd. Is er in de tussentijd iets veranderd? Valt dat ook te duiden?

Ballon blazen

In België en Zweden wordt daarnaast aan jongvolwassenen die tijdens het uitgaan zelf worden geïnterviewd, gevraagd om in een ballon te blazen. Daarmee kunnen de onderzoekers meten wat de stappers daadwerkelijk hebben gebruikt en of dat overeenkomt met de antwoorden die ze daarvoor hebben gegeven. Van Laar: ‘We weten dat zelfrapportage niet 100% betrouwbaar is. In de regel zwakken mensen hun gebruik af. We vermoeden dat dit vooral voorkomt in landen waar het beleid wat repressiever is, waar sancties staan op het gebruik of drugsgebruik sociale schade met zich meebrengt of carrièrekansen verkleint. Nu gaan we daadwerkelijk meten of dat zo is en hoe groot dat verschil is. Allerlei internationale studies kunnen van die gegevens gebruik maken. Als blijkt dat zelfrapportage leidt tot bijvoorbeeld 10% onderrapportage, dan kan dat ook consequenties hebben voor andere studies.’

Dinsdagdip

In zowel Engeland als Nederland wordt in een vervolgstudie gekeken naar de gevolgen van het gebruik van ecstasy en andere drugs op korte termijn en naar de vraag of de onderzoekers het gebruik kunnen voorspellen op basis van tal van persoonskenmerken, motieven voor gebruik en omgevingsvariabelen. Ook wordt heel nauwkeurig in kaart gebracht welke middelen, en in welke volgorde, club- en partygangers nemen gedurende uitgaansavonden. Want polygebruik van middelen is een belangrijke risicofactor voor tal van gezondheidsklachten. Zo mogelijk wordt 5 weken lang in elk land aan 150 jongvolwassenen dagelijks, en op uitgaansdagen om de 4 uur – wellicht via een app op hun mobieltje – gevraagd naar zaken als middelengebruik, stemming, concentratievermogen, en dergelijke. Van Laar: ‘We onderzoeken ook of het haalbaar is om objectief te meten of de jongeren slapen, rustig bewegen of intensief sporten of dansen. We kunnen bijvoorbeeld kijken of het klopt dat er een zogenaamde dinsdagdip is en hoe dit verandert gedurende de week. Alleen al qua methodologie is dit onderdeel een enorme uitdaging.’

Grenzen vervagen

Tot slot vindt er nog aanvullend kwalitatief onderzoek plaats naar het clubleven om de andere gegevens in een context te plaatsen. Hoe gaat het in de vijf landen daar aan toe? Hebben de clubs een drugsbeleid en communiceren ze daar ook over? Zoals gezegd, Van Laar raakt er mede door haar enthousiasme nauwelijks over uitgepraat. ‘We hebben dan ook een fantastisch team waar verschillende gezaghebbende instituten in vertegenwoordigd zijn. Juist door die internationale samenwerking kunnen we heel veel kennis vergaren en een grote dataset opbouwen. Daar doet elk land zijn voordeel mee. Ook wij in Nederland. Grenzen vervagen en wat nu in het ene land speelt kan morgen elders in Europa gebeuren. Bovendien is het superboeiend om met al die verschillende mensen met hun verscheidenheid aan kwaliteiten samen te werken.’

ERANID

ERANID, European Research Area Network on Illicit Drugs, is een internationaal samenwerkingsverband in het kader van de Europese Unie. Het is gericht op het toegankelijk maken van bestaande kennis op het gebied van drugsgebruik en het uitzetten van onderzoek op gebieden waar nieuwe kennis nodig is. In ERANID werken verschillende wetenschappelijke disciplines en diverse Europese landen samen. ZonMw is namens Nederland één van de partners in het samenwerkingsverband en coördineert het traject.

Meer informatie

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website