Chaos in mijn hoofd: een studie bij kinderen met denkstoornissen en sociale contactproblemen
Deze studie heeft kennis opgeleverd over kinderen met pervasieve ontwikkelingsstoornissen - niet anders gespecificeerd (PDD-NOS). Dankzij het project zijn meetinstrumenten voor diagnostiek van formele denkstoornissen en sociale contactproblemen ontwikkeld en in gebruik genomen en zijn trainingen georganiseerd voor hulpverleners over het gebruik hiervan.
In het onderzoek is gekeken naar de lengteverhouding tussen wijsvinger (2D) en ringvinger (4D) bij groepen jongens van 6-14 jaar met autisme, PDD-NOS, ADHD, angststoornissen en een controlegroep.
Binnen dit project waren de doelstellingen drieledig. Het eerste doel was om meer informatie over kinderen met PDD-NOS te verkrijgen, zowel vanuit een gedragsmatig, alsook vanuit een cognitief perspectief. Mede vanwege een gebrek aan expliciete, gestandaardiseerde criteria, is deze grote, heterogene groep kinderen eerder nog niet veel onderzocht. De specifieke doelstellingen binnen dit deel van het project waren het in kaart brengen van de frequentie van voorkomen van comorbide psychiatrische stoornissen in kinderen met PDD-NOS en het in kaart brengen van intelligentieprofielen van kinderen met PDD-NOS. Kinderen varieerden in leeftijd van 6 tot en met 12 jaar en 94 kinderen met PDD-NOS deden mee aan dit deel van het onderzoek. Meer dan 80% van deze kinderen voldeed aan de criteria voor tenminste een comorbide diagnose, waarvan disruptieve gedragsstoornissen het meeste voorkwamen, gevolgd door angststoornissen. Geassocieerde symptomen zijn vaak beter te behandelen dan de kernproblemen als beperkingen in de sociale interactie en communicatie. Daarom werd geconcludeerd dat tijdens klinisch onderzoek bij kinderen met PDD-NOS, altijd gekeken moet worden naar comorbide psychiatrische symptomen of stoornissen.
Wat betreft de intelligentieprofielen lieten kinderen met PDD-NOS geen contrast zien tussen hun VIQ en PIQ, zoals in eerdere studies van kinderen met een autistische stoornis of de stoornis van Asperger vaak wel getoond werd. Verder behaalden kinderen met PDD-NOS over het algemeen scores in de gemiddelde range en hadden ze moeite met taken waarbij aandacht en concentratie vereist was. Het was binnen ons sample niet mogelijk om kinderen met PDD-NOS te onderscheiden van kinderen met een autistische stoornis of de stoornis van Asperger gebaseerd op IQ scores.
Het tweede doel binnen dit onderzoek was om een beter begrip te verkrijgen van wat verstaan wordt onder formele denkstoornissen en hoe deze een rol spelen in kinderen met problemen in het sociale contact. Hierbij werd specifiek aandacht besteed aan kinderen met MCDD die lijden aan zowel gebreken in het sociale contact als ook aan denkstoornissen. De specifiekere doelstellingen binnen dit deel van het project waren het onderzoeken van de associatie tussen een gestandaardiseerd onderzoeksinstrument en het oordeel van de clinicus wat betreft de aanwezigheid van denkstoornissen en het onderscheid maken tussen kinderen met PDD-NOS en MCDD. Aan beide studies deden weer kinderen in de leeftijd van 6 tot en met 12 jaar mee. In de studie naar denkstoornissen (n = 172) werd gevonden dat de overeenkomst tussen een objectief meetinstrument en het oordeel van de clinicus erg laag was. Hoewel de detectie van denkstoornissen erg van belang is, te meer omdat de aanwezigheid ervan in de kinderleeftijd een mogelijke voorspeller is van latere psychotische symptomen, hangt de aan- of afwezigheid van denkstoornissen erg af van welk meetinstrument gebruikt wordt. Verder werd in de studie naar kinderen met MCDD (n = 111) gevonden dat zij meer angststoornissen, disruptief gedrag en psychotische denkproblemen lieten zien, terwijl kinderen met PDD-NOS meer gekarakteriseerd werden door problemen in het sociale contact. Op dit moment is MCDD geen DSM-IV classificatie en wordt het veelal geclassificeerd onder PDD-NOS vanwege de vroege onset, de sociale gebreken en het pervasieve karakter. Echter, uit deze studie kan geconcludeerd worden dat onderscheid gemaakt kan worden tussen kinderen met MCDD en PDD-NOS en dat MCDD ook samen met andere kinderpsychiatrische stoornissen kan voorkomen.
In het derde deel van deze studie werd de rol van vingerlengte ratio in kinderpsychiatrische samples bestudeerd. Eerdere studies lieten associaties tussen vingerlengte ratio en somatische aandoeningen of psychologische kenmerken in normale populaties zien, maar in hoeverre deze associaties ook aanwezig waren in kinderen met verschillende psychiatrische stoornissen was nog niet eerder onderzocht. Specifieker werd de vingerlengte ratio in verschillende groepen met elkaar vergeleken (n = 240) en werd vingerlengte ratio geassocieerd met autistische trekken in een een kinderpsychiatrisch sample (n = 182). Jongens met een autistische stoornis, de stoornis van Asperger, ADHD, ODD en jongens met PDD-NOS in mindere mate, hadden lagere ratios dan jongens met een angststoornis en jongens uit de controlegroep. Vanuit eerder onderzoek werd gesteld dat een lage 2D:4D ratio geassocieerd is met een hoog niveau van prenataal testosteron en dat dit hoge testosteronniveau een rol speelt in de etiologie van autisme. Uit deze studie kan geconcludeerd worden dat een hoog prenataal testosteronniveau niet alleen een rol speelt in de origine van autisme maar ook in de etiologie van ADHD, ODD en PDD-NOS. Tot slot werd gevonden dat in een kinderpsychiatrisch sample een lage 2D:4D ratio sterk correleert met autistische trekken, met name bij meisjes.
Meer dan 80% van deze kinderen voldeed aan de criteria voor tenminste een comorbide diagnose, waarvan disruptieve gedragsstoornissen het meeste voorkwamen, gevolgd door angststoornissen. Geassocieerde symptomen zijn vaak beter te behandelen dan de kernproblemen als beperkingen in de sociale interactie en communicatie. Daarom werd geconcludeerd dat tijdens klinisch onderzoek bij kinderen met PDD-NOS, altijd gekeken moet worden naar comorbide psychiatrische symptomen of stoornissen.
Wat betreft de intelligentieprofielen lieten kinderen met PDD-NOS geen contrast zien tussen hun VIQ en PIQ, zoals in eerdere studies van kinderen met een autistische stoornis of de stoornis van Asperger vaak wel getoond werd. Verder behaalden kinderen met PDD-NOS over het algemeen scores in de gemiddelde range en hadden ze moeite met taken waarbij aandacht en concentratie vereist was. Het was binnen ons sample niet mogelijk om kinderen met PDD-NOS te onderscheiden van kinderen met een autistische stoornis of de stoornis van Asperger gebaseerd op IQ scores.
In de studie naar denkstoornissen werd gevonden dat de overeenkomst tussen een objectief meetinstrument en het oordeel van de clinicus erg laag was. Hoewel de detectie van denkstoornissen erg van belang is, te meer omdat de aanwezigheid ervan in de kinderleeftijd een mogelijke voorspeller is van latere psychotische symptomen, hangt de aan- of afwezigheid van denkstoornissen erg af van welk meetinstrument gebruikt wordt. Verder werd in de studie naar kinderen met MCDD gevonden dat zij meer angststoornissen, disruptief gedrag en psychotische denkproblemen lieten zien, terwijl kinderen met PDD-NOS meer gekarakteriseerd werden door problemen in het sociale contact. Op dit moment is MCDD geen DSM-IV classificatie en wordt het veelal geclassificeerd onder PDD-NOS vanwege de vroege onset, de sociale gebreken en het pervasieve karakter. Echter, uit deze studie kan geconcludeerd worden dat onderscheid gemaakt kan worden tussen kinderen met MCDD en PDD-NOS en dat MCDD ook samen met andere kinderpsychiatrische stoornissen kan voorkomen.
Uit de studies naar vingerlengte ratio werd gevonden dat ongens met een autistische stoornis, de stoornis van Asperger, ADHD, ODD en jongens met PDD-NOS in mindere mate, een lagere ratio hadden dan jongens met een angststoornis en jongens uit de controlegroep. Vanuit eerder onderzoek werd gesteld dat een lage 2D:4D ratio geassocieerd is met een hoog niveau van prenataal testosteron en dat dit hoge testosteronniveau een rol speelt in de etiologie van autisme. Uit deze studie kan geconcludeerd worden dat een hoog prenataal testosteronniveau niet alleen een rol speelt in de origine van autisme maar ook in de etiologie van ADHD, ODD en PDD-NOS. Tot slot werd gevonden dat in een kinderpsychiatrisch sample een lage 2D:4D ratio sterk correleert met autistische trekken, met name bij meisjes.
Onderdeel van programma: GGZ-Programma GeestKracht
Projectnummer: 100002006
Startdatum: 1 mei 2003
Status: Afgerond
Looptijd:
2003
2008
Prof. dr. F. Verheij
Projectleider en penvoerder, Sophia Kinderziekenhuis
Aan de slag met de resultaten van dit project? Maak zelf een implementatieplan