Wanneer iemand tijdens avond-, nacht- en weekenduren snelle medische hulp nodig heeft zijn er drie mogelijkheden: contact opnemen met de huisarts of huisartsenpost; naar de afdeling spoedeisende hulp van een ziekenhuis gaan; of het landelijk alarmnummer 112 bellen. Samen vormen deze opties een spoedzorgketen. Deze keten functioneert echter niet optimaal. Op een aantal plaatsen zijn er samenwerkingsverbanden tussen SEH en HAP ontstaan, waarbij beide op één locatie gevestigd zijn en er sprake is van één loket voor alle spoedeisende zorg: spoedposten. Onduidelijk is wat het effect hiervan is op de kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg, op de tevredenheid van patiënten en zorgverleners en op de kosten van de zorg. Een vergelijkend onderzoek kan hier duidelijkheid over verschaffen.
Dit is de samenvatting van de aanvraag.
De spoedzorg tijdens de avond-, nacht- en weekenduren wordt geboden door afdelingen Spoedeisende Hulp (SEH) van ziekenhuizen, huisartsenzorg, GGZ instellingen en ambulancezorg. De huisartsenzorg wordt grotendeels geboden door huisartsenposten (HAP). SEH, HAP en ambulancezorg vormen samen een spoedzorgketen. Deze keten functioneert echter niet optimaal. SEH en HAP overlappen elkaar gedeeltelijk, te veel patiënten wenden zich te snel tot deze zorgaanbieders en, ondanks dat HAP en SEH vaak fysiek dicht bij elkaar gevestigd zijn, is er nauwelijks sprake van samenwerking. Hierdoor wordt er onnodig gebruik gemaakt van voorzieningen (wat gepaard gaat met hoge kosten), en ontstaan capaciteitsproblemen en onnodig lange wachttijden (1-5).
De afgelopen jaren zijn er verschillende samenwerkingsvormen tussen HAP en SEH ontstaan, waarbij twee vormen functioneel op één locatie gevestigd zijn en als spoedpost aangemerkt kunnen worden: (a) HAP als voorportaal van SEH en (b) HAP en SEH hebben één gezamenlijke triage waarna patiënten naar de HAP of SEH worden verwezen (6). Spoedposten pretenderen de spoedzorgketen te verbeteren, waardoor mogelijk het groeiend aantal patiënten het hoofd kan worden geboden. Het is echter onbekend of spoedposten de kwaliteit en toegankelijkheid van de spoedzorg werkelijk verbeteren of kosten reduceren; de op dit moment beschikbare evaluaties geven hier geen uitsluitsel over (7, 8). De probleemstelling van het hier voorgestelde onderzoek is daarom: Leidt samenwerking binnen een spoedpost tot een verbetering in kwaliteit, toegankelijkheid en kosten van de acute zorg in vergelijking tot een situatie waarbij HAP en SEH afzonderlijk van elkaar werken? De onderzoeksvragen zijn: (1) Hoe ervaren professionals de samenwerking, de kwaliteit van zorg en hoe tevreden zijn zij over de setting? (2) Hoe ervaren patiënten de setting, hoe tevreden zijn zij over de geboden zorg en verschilt dit naar type klacht en naar onderscheid HAP, SEH? (3) Hoe verloopt de patiëntenlogistiek, in termen van wachttijd, doorlooptijd en overdrachtmomenten, bij verschillende patiëntenroutes en hoeveel en welke patiënten komen bij de HAP, respectievelijk SEH, terecht? (4) Zijn kwaliteit, toegankelijkheid en kosten van behandeling bij exacerbatie van astma/COPD en enkeldistorsie (veelvoorkomende klachten die potentieel door HAP en SEH behandeld kunnen worden) bij SEH en HAP gelijk, gemeten in een spoedpost en in een setting met aparte HAP’s en SEH’s?
Dit onderzoek is hoogst relevant, omdat zowel werkveld als politiek samenwerking stimuleren en zich richten op de ontwikkeling van spoedposten, terwijl er erg weinig bekend is over het werkelijke succes ervan. Door onderzoek te doen naar de werking van spoedposten wordt gefundeerde, diepgaande kennis met betrekking tot de werking van spoedposten gegenereerd.
Er is voor gekozen de drie bestaande spoedposten Zuidoost Brabant als locatie voor het onderzoek te gebruiken. Zij werken volgens samenwerkingsmodel (b): één gezamenlijke triage waarna patiënten naar de HAP of SEH worden verwezen. De controlegroep is een spoedzorgketen met apart gevestigde HAP en SEH in een regio die qua populatie vergelijkbaar is.
Gegevens worden verzameld door informatie te extraheren uit het huisartsinformatiesysteem (HIS) van de HAP en de eigen huisarts en uit het ziekenhuisinformatiesysteem (ZIS). Daarnaast zullen gegevens vergaard worden middels vragenlijsten en registratie van aankomst-, behandel- en wachttijden. De studiepopulatie bestaat uit zorgprofessionals werkzaam bij HAP of SEH-afdeling en patiënten die zich met een hulpvraag melden bij spoedpost, SEH of HAP.
De verkregen gegevens zullen middels beschrijvende statistiek geanalyseerd worden. Vervolgens zal gekeken worden of er significante verschillen zijn tussen behandeling door HAP en SEH in spoedpost respectievelijk controlesetting.
Aanbieders van spoedzorg, overheid, zorgverzekeraars, onderzoekers en de samenwerkende organisaties zullen op de hoogte gebracht en gehouden worden van het onderzoeksproject. De resultaten en opgedane kennis zullen door middel van publicaties in wetenschappelijke en vakliteratuur, overleggen en symposia gedeeld worden.
Onderdeel van programma:
Spoedzorg
Dossiernummer: 82711009 Startdatum: 1 november 2010
Status:
Lopend
Looptijd:
2010
2012
Prof. dr. D.H. de Bakker
Projectleider en penvoerder, Universiteit van Tilburg
Aan de slag met de resultaten van dit project? Maak zelf een implementatieplan