Er bestond onvoldoende zicht op de (knelpunten in de) samenwerking tussen verloskundigen en andere zorgverleners in de spoedzorgketen. Haperingen in de verloskundige spoedzorg kunnen ernstige gevolgen hebben. Een beter beeld van (de knelpunten in) deze vorm van spoedzorg is belangrijk. Hoe vaak komt spoedvervoer voor en hoe vaak met een ambulance? Wanneer schakelt de huisart(enpost) de verloskundige in? Zijn er protocollen en worden ze gebruikt? En vooral: welke knelpunten worden er ervaren in de samenwerking in de spoedzorgketen? Meer inzicht hierin kan leiden tot het verbeteren van de verloskundige (spoed)zorgketen door het beschrijven en verspreiden van ‘best practices’, rekening houdend met regionale verschillen.
Een kwalitatieve en kwantitatieve beschrijving van de (knelpunten in de) verloskundige spoedzorgketen geeft inzicht in de (regionale) samenwerking tussen verloskundigen en andere zorgverleners in de verloskundige spoedzorgketen (ambulancediensten, huisartsenposten, afdelingen verloskunde). Hiermee kunnen aanbevelingen worden gedaan voor randvoorwaarden voor een optimale samenwerking in de verloskundige spoedzorgketen.
Dit is de samenvatting van de aanvraag.
Uit casuïstiek is gebleken dat er onduidelijkheden zijn in de samenwerking van verloskundigen met ambulancepersoneel, met name met betrekking tot vervoer, verantwoordelijkheden bij overdracht en communicatie. De gevolgen van een gebrekkige samenwerking kunnen ernstig zijn, zoals sterfte van het kind indien noodzakelijke zorg uitblijft of te laat wordt gegeven. Er is echter geen inzicht in de mate waarin de samenwerking binnen de verloskundige spoedzorgketen tot problemen leidt. Met dit onderzoek wil de KNOV een beter beeld krijgen van de regionale samenwerking in de spoedzorg met betrekking tot verloskundige zorgverlening en bijdragen tot een verbetering van het functioneren ervan.
Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in de samenwerking tussen verloskundigen en andere zorgverleners in de spoedzorgketen, zoals ambulancediensten, afdelingen verloskunde en huisartsenposten. Om dat doel te bereiken wordt eerst een kwalitatieve en vervolgens een kwantitatieve inventarisatie uitgevoerd. Op basis van de resultaten van beide inventarisaties wordt zowel op regionaal niveau als op landelijk niveau besproken wat de meest efficiënte en effectieve manier is om de samenwerking gestalte te geven (best practice) en hoe die samenwerking kan bijdragen tot verbetering van de zorg.
De centrale vraagstelling in dit onderzoek is:
Rekening houdend met regionale verschillen en omstandigheden, hoe ziet de samenwerking in de spoedzorgketen tussen verloskundigen en ambulancediensten, verloskundigen en ziekenhuizen en verloskundigen en huisartsenposten er uit, wat voor concrete afspraken zijn er, hoe worden die geëvalueerd en op welke wijze, onder welke voorwaarden en met welke instrumenten kan de spoedzorgketen organisatorisch-kwalitatief beter worden vormgegeven?
In dit onderzoek wordt allereerst een kwalitatieve inventarisatie gemaakt van de huidige organisatie van de spoedzorg in de verloskundige keten en de ervaringen van de zorgverleners daarmee, door middel van 20 mondelinge, semigestructureerde interviews met vertegenwoordigers van alle vier de betrokken beroepsgroepen: verloskundigen, ambulancepersoneel, huisartsen werkzaam op een huisartsenpost en verpleegkundigen/verloskundigen werkzaam op een verloskundige afdeling van een ziekenhuis. Deze kwalitatieve inventarisatie wordt gevolgd door een kwantitatieve inventarisatie, door middel van ±150 schriftelijke vragenlijsten bij zorgverleners en 100 vragenlijsten bij cliënten. De uitkomsten onder zorgverleners worden op regionaal niveau besproken. De resultaten van de cliëntenvragenlijsten worden samen met de regionale bevindingen gebundeld tot een landelijke rapportage. Voorgesteld wordt het onderzoek af te sluiten met een symposium waar betrokkenen rechtstreeks met elkaar van gedachten kunnen wisselen over de efficiëntie, effectiviteit en doelmatigheid van de verschillende regionale vormen van samenwerking en zo mogelijk gezamenlijk tot een oordeel kunnen komen over de vereisten van een ‘best practice’ in de verloskundige spoedzorg.
De voorgestelde looptijd van het onderzoek is 16 maanden.
Onderdeel van programma:
Spoedzorg
Dossiernummer: 82711003 Startdatum: 1 juni 2009
Status:
Afgerond
Looptijd:
2009
2010
A.M. Oostveen
Projectleider en penvoerder, Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen
Oproep aan de projectleiders
Bent u projectleider van dit project? Heeft u opmerkingen over de inhoud van de verslagen
(tabblad voortgang)?
Neem dan contact op met de contactpersoon.
Aan de slag met de resultaten van dit project? Maak zelf een implementatieplan