2 september 2010
Door Pieter van Megchelen
Patiënten die kiezen voor een complementair werkend arts, doen dat meestal niet uit onvrede met de reguliere geneeskunde. Effectiviteitsonderzoek bij complementaire behandelwijzen kan met dezelfde methoden als in de gewone ?geneeskunde, maar om het goed van de grond te krijgen is meer aansluiting bij universiteiten gewenst. Dat zijn enkele conclusies van het Onderzoek Complementaire Behandelwijzen bij ZonMw dat onlangs werd afgerond.
‘Met een klein budget van twee ton is relatief veel bereikt. Artsen voor complementaire behandelwijzen hebben hun inzicht in de methodologie van effectiviteitsonderzoek vergroot. En dankzij een studie van het Nivel weten we nu meer over de patiënten die een complementair werkende arts bezoeken. Ik ben heel benieuwd hoe het veld van de complementaire behandelwijzen nu verder invulling geeft aan de behoefte aan effectiviteitsonderzoek ’, zegt mr. Maarten Slijper van ZonMw, die als secretaris het Onderzoek Complementaire Behandelwijzen (OCB) begeleidde.
Complementaire behandelwijzen (Complementary and Alternative Medicine, CAM) omvatten een breed palet. Sommige staan dicht bij de westerse geneeskunde, andere hanteren concepten en veronderstellingen die ver buiten het biomedische referentiekader staan. Eén ding hebben zij gemeen: er is meestal geen of nauwelijks wetenschappelijke onderbouwing van de effectiviteit. Evidence based werken, met de kwaliteitsgarantie die dat biedt voor de patiënt, is daarmee praktisch onmogelijk. Volgens de Gezondheidsraad is het nodig dat er op een pragmatische manier effectiviteitsonderzoek gedaan wordt. Geen gesteggel over de onderliggende concepten dus, maar volgens de regelen der kunst meten of een behandeling het beter doet dan een placebo of gebruikelijke zorg. Om dergelijk onderzoek een kans te geven en CAM-artsen meer inzicht te geven in de methodologie van effectiviteitsonderzoek, gaf het ministerie van VWS in 2004 opdracht voor het OCB. Het onderzoek richtte zich op artsen die zich bezighouden met acupunctuur, homeopathie of natuurgeneeswijzen. Het bestond uit twee gedeelten: een studie van onderzoeksinstituut Nivel naar de praktijk van de complementair werkende artsen en een project waarin enkele CAM-artsen de kans kregen om zich te verdiepen in onderzoeksmethodologie en een pilotproject te schrijven. Uit de voorstellen werden drie pilotprojecten gekozen voor uitvoering in de praktijk. De uitkomsten werden in december besproken tijdens een werkconferentie bij ZonMw.
Het Nivel vergeleek onderzoeksgegevens uit praktijken voor complementaire behandelwijzen met gegevens afkomstig uit haar registratie onderzoek in huisartspraktijken (NS2). Daaruit bleek onder meer dat in CAM praktijken meer patiënten komen met algemene klachten (zoals vermoeidheid) en psychische klachten dan in NS2-huisartspraktijken. De consultduur van CAM artsen bleek aanzienlijk langer te zijn dan bij huisartsen. Uit een studie naar patiëntprofielen van mensen die CAM-artsen (natuurarts, arts-acupuncturist, arts voor homeopathie) bezochten was meest opmerkelijke conclusie, dat 80 procent van de patiënten op positieve gronden koos voor een complementair werkende arts. Onvrede met de reguliere geneeskunde was slechts voor 20 procent de belangrijkste reden. In vergelijking met patiënten uit reguliere praktijken zijn er onder de patiënten die een CAM-arts bezoeken meer vrouwen en meer hoogopgeleide mensen. Ook hebben zij vaker een taakgerichte communicatiebehoefte; dat wil zeggen dat patiënten niet naar een CAM-arts gaan om meer aandacht te krijgen, maar om de klacht opgelost te krijgen.
De CAM-artsen die een opleiding in methodologie kregen, waren tevreden over de cursus van het EMGO-instituut (VUmc). In hun geneeskundestudie en hun CAM-opleiding hadden zij niet zo veel geleerd over wetenschappelijk onderzoek, zodat vooraf een scholingstraject nodig was. Het formuleren van een goede hypothese en een uitvoerbaar pilotproject bleek een hele uitdaging te zijn. Bij de uitvoering van de pilots kwamen de gebruikelijke problemen bij klinisch onderzoek naar voren, zoals het werven (includeren) van voldoende patiënten.
Bij de evaluatie van het programma kwam men tot de conclusie dat er nog een lange weg te gaan is voordat grote effectiviteitsstudies (randomised controlled trials) binnen de CAM uitgevoerd kunnen worden. Het ontbreken van academische inbedding en van voldoende mogelijkheden voor financiering zijn daarbij belangrijke barrières, waaraan de betreffende artsenorganisaties zullen moeten werken. Het systematisch registreren van gegevens in de praktijk, zoals dat al gebeurt binnen de artsenvereniging voor homeopathie (VHAN), zou een eerste stap kunnen zijn bij de kwaliteitsbewaking, het genereren van hypotheses en het opzetten van klinische studies.