11 juli 2012
Deze week is het vijfjaarlijkse onderzoek naar euthanasie en andere beslissingen rond het levenseinde aangeboden aan de Tweede Kamer. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie VWS door VUmc, Erasmus MC, UMCU en CBS, met subsidie van ZonMw.
Een van de onderzoekers Bregje Onwuteaka-Philipsen, hoogleraar levenseindeonderzoek bij sociale geneeskunde/ EMGO+ instituut VUmc publiceert vandaag eerste deel van het onderzoek in The Lancet. Het evaluatie-onderzoek naar de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding volgt in het najaar van 2012.
Belangrijkste uitkomsten
In 2005, 3 jaar na de invoering van de euthanasiewet was het aantal gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding gedaald van 2.8% in 2001 tot 1.8%. In 2010 is in 2.9% van alle sterfgevallen euthanasie of hulp bij zelfdoding uitgevoerd. Hiermee is de frequentie van euthanasie en hulp bij zelfdoding vergelijkbaar met de periode voor de invoering van de wet.
Ook de kenmerken van de patiënten waarbij euthanasie plaatsvindt blijven hetzelfde. Het gaat veelal om kankerpatiënten, jongere mensen en euthanasie wordt vooral uitgevoerd door huisartsen. Het percentage euthanasie en hulp bij zelfdoding door de arts gemeld bij een regionale toetsingscommissie euthanasie was in 2010 77%. Dit is vergelijkbaar met het meldingspercentage in 2005 (80%) en hoger dan het meldingspercentage voor invoering van de euthanasiewet.
Na de start van de nieuwe wetgeving in 2002 is het aantallen gevallen van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt jaarlijks verder gedaald. Van 0.8% in 1990 tot 0.2% in 2010. Het aantal gevallen van palliatieve sedatie is in 2010 gestegen. Van 8.2% in 2005 tot 12.5% in 2010.
0,4% van alle sterfgevallen is een gevolg van het besluit van de patiënt om te stoppen met eten en drinken. In de helft van deze gevallen werd een eerder verzoek om euthanasie geweigerd.